De massale domesticatie van de wandelende tak

Mijn kindertijd werd gekenmerkt door een aantal volstrekt willekeurige en zeer hardnekkige trends: flippo's, tamagotchi's, oerlelijke 'tribal'-sieraden (“net een echte tattoo!”), trollen met gekleurde haren en ga zo maar door. Maar de hype die mij achteraf toch wel het meest verbaast: de massale domesticatie van de wandelende tak in de jaren negentig.

Op een gegeven moment hadden alle buurtkinderen, mezelf incluis, er wel eentje. We hielden de tak als 'huisdier', in een plastic bakje van de Chinees of een lege emmer Huzarensalade. Wat gaatjes in de deksel en klaar was je. Geen omkijken meer naar.

In feite had je natuurlijk überhaupt geen drol aan zo'n veredelde stok. Soms kon je hem niet eens zien – zat 'ie gecamoufleerd in het bakje tussen de bladeren. Eruit halen was ook niet echt een optie: wandelende takken verliezen relatief gemakkelijk hun ledematen. Je hoeft ze maar te aaien of op ze te gaan zitten en het is al mis.

Het domesticeren van wandelende takken was daardoor, godzijdank, een trend die niet erg lang stand hield.

Dat gaf voor mij niks. Wij hadden thuis genoeg fatsoenlijke (lees: aaibare, harige, schijtende) huisdieren. We hadden een manisch konijn dat zijn kop permanent scheef hield. We hadden cavia's: eerst twee, op een dag twintig. Diverse Russische dwerghamsters. Pas toen alle kleine dieren dood waren besloot mijn vader, een wijs man, dat alleen een hond eigenlijk ook wel genoeg was. Die hoefde tenminste niet in een kooitje en ging wat langer mee.

Toch kan ik me van al die kleine beestjes, en hun vaak vroege dood, nog wel iets herinneren. Behálve, en nu komt het, van mijn wandelende tak. Ik weet oprecht niet wat er met mijn tak gebeurd is. Dood, weggelopen, aangezien voor een lege bak Huzarensalade en verdwenen in het huisvuil.. het kan allemaal.

Dit baarde mij zorgen. Voor hetzelfde geld leefde de wandelende tak nog steeds en zat hij nu ergens onder de fundering van mijn ouderlijk huis - uitgegroeid tot een immense, wandelende boomstronk.

Naarstig verrichtte ik nader onderzoek op internet. Godzijdank: wandelende takken kunnen hooguit drie jaar worden, maar leggen in de praktijk meestal na vier maanden het loodje. Officieel moet je ze ook helemaal niet in een Huzarenemmer met gaatjes bewaren, las ik. Mijn angst maakte plaats voor een schuldgevoel. Mijn god, wat had ik die tak aangedaan?

Dit mag nooit meer gebeuren. Bij deze wil ik, ook namens mijn leeftijdsgenoten, mijn excuses aanbieden voor wat gezien kan worden als een massamoord op de takkenpopulatie in de jaren negentig. Sorry, takjes. We hadden jullie nooit zo'n takkenleven mogen bezorgen.


Donderdag 15 November 2012 op 19:13  |  
  |    |  

Geen reacties

(optioneel veld)
(optioneel veld)
Om spam te voorkomen, vragen we je deze simpele vraag te beantwoorden (schrijf het getal voluit):
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.