De curieuze lotgevallen van Adrie Mooiweer
























Illustratie door Puikeprent Illustration & Printmaking

I. Het is als met de regen
Adrie Mooiweer en zijn hond Oeljanov waren die ochtend extra vroeg op pad gegaan. Het was altijd een flink eind lopen, van de caravan naar het dichtstbijzijnde dorp. Een tocht door dichtbegroeide bossen en over verlaten landweggetjes. De bladeren op de grond waren nog een beetje bevroren en knisperden vrolijk onder de stevige tred van hond en baas.
“Vroeger,” mompelde Adrie, “toen werd dus alleen je arm gefilmd. Je arm en het weerkaartje!”
Oeljanov liet een korte maar begripvolle blaf horen.
Elke dag, al zolang hij zich kon herinneren, vertelde zijn baas hetzelfde verhaal. Over hoe hij in de jaren '50 een populaire weerman was geweest. En dat hij iedere Sinterklaasavond zijn berichten op rijm voorlas. Bloed, zweet en tranen had hij in zijn werk gestoken. Adrie had zich in die tijd een heuse televisiester gewaand.
De tragiek wil, echter, dat al die jaren slechts zijn rechterarm in beeld was geweest. De werkelijke roem bleef uit. Slechts één keer was Adrie de aanstichter van een kleine mediarel geweest en had ook zijn hoofd de actualiteiten gehaald. Het gebeurde op een dag in 1957 – de dag waarop Laika, de eerste hond in de ruimte, door de Sovjets in een baan om de aarde werd gebracht.
Adrie had zich het lot van het dier erg aangetrokken en in zijn weerpraatje medegedeeld: “Bij een sterke noordwester wind zullen wij om de 102 minuten het gejank van kleine Laika, hulpeloos zwevend tussen de sterren, in het hemelruim horen weerklinken.”
Dat werd hem niet in dank afgenomen. Weermannen dienden over het weer te praten, een koetje en kalfje hier en daar, maar zij spraken zéker niet over ethische kwesties. Adrie Mooiweer werd ontslagen en zijn leven was sindsdien, al met al, overwegend bewolkt en helemaal niet zo spectaculair. Wel probeerde hij er altijd het beste van te maken.


Adrie en Oeljanov waren ruim een uur onderweg toen zij besloten een korte pauze in te lassen bij een open plek. In het midden stond een klein hutje.
“Toch vind ik het vreemd,” had Adrie voor de zoveelste keer verzucht. “Elke keer als ik denk dat ik alles in dit bos gezien heb, duikt er weer wat nieuws op.” Hij gaf een klungelige schop tegen het houten huisje.
Precies op dat moment klonk een onheilspellend gerommel in de lucht. Verward keken hond en baas omhoog, waar een strak blauwe hemel hen tegemoet straalde.
“Onze lieve Heer is weer driftig met zijn bureaustoel heen en weer aan het schuiven,” verklaarde Adrie met dichtgeknepen ogen. “Moeten nodig eens nieuwe wieltjes onder, dat hoort iedereen. Toch, Ollie?”
Maar Oeljanov reageerde niet met zijn gebruikelijke brom, grom of zucht. Hij had zijn blik opnieuw gericht op het hutje, daar midden op de open vlakte, en zijn staart trilde een beetje van opwinding.

“Wat is er, vriend?” vroeg Adrie.
Hij boog zich voorover en ontdekte, precies ter hoogte van Oeljanovs snuit, een klein raampje. Met de mouw van zijn versleten colbert veegde Adrie vluchtig wat stof weg, en samen gluurden zij naar binnen.
Het hutje leek onbewoond, maar in de hoek flikkerde zo nu en dan een zwak licht. Op een gruizig gasfornuis stond een oude theepot die zachtjes fluitte.
Adrie sloeg zijn televisie-arm om zijn enige vriend heen en sprak: “Het is als met de regen: wat nu valt, valt straks niet. We moeten als de donder naar binnen.”

  

Illustratie door Puikeprent Illustration & Printmaking


II. De komst van Oeljanov
Het bos was, zelfs na al die jaren, nog vaak een mysterie voor haar eenzame inwoners. Zij leek zichzelf altijd uit te breiden en, keer op keer, stilletjes de paden die Adrie bewandelde weer uit te wissen. Hij was wel eens een nacht wakker gebleven om goed te luisteren. Hoorde hij de bomen kraken en sudderen? De mossen loskomen en over de grond glibberen? Misschien gebeurde het allemaal wanneer het donker was.
Niets van dat alles. Het enige wat er op die lange nacht gebeurde, was de komst van Oeljanov. Terwijl Adrie teleurgesteld een pot augurken had opengetrokken en ze mismoedig één voor één aan het opsabbelen was, had hij een licht gekrabbel aan de voordeur van zijn caravan gehoord. Voorzichtig deed hij de bovenste helft van het deurtje open. Hij zag een middelgrote, donkerbruine hond die statig op zijn trapje zat.
“O gut,” had Adrie gezegd. “Hé beestje!”
De hond keek hem doordringend aan, maar bleef verder roerloos zitten.
“Psssst.. kom 's!” probeerde Adrie.
Hij had zijn beroemde arm uitgestoken om een aai uit te delen, maar de hond ontweek hem vakkundig.
“Wat wil je? Heb je honger?”
Urenlang probeerde Adrie contact te leggen; de hond te laten kwispelen of blaffen – al zouden zijn oren maar éventjes opgewonden heen en weer bewegen. Maar het dier had hem slechts aangekeken, met een verrassend intelligente blik, en verroerde geen vin. Met pijn in zijn hart besloot Adrie, vlak voor de zon opkwam en het bos zou ontwaken, naar bed te gaan.


De volgende ochtend was de hond er nog steeds, op precies dezelfde plek. Adrie was slaapdronken zijn caravan uitgestapt en had gegaapt: “Kom kameraad Hondje, laten we vandaag naar het dorp wandelen.”
Als bij toverslag was de hond opgestaan. Zijn oren bewogen, heel subtiel maar toch duidelijk zichtbaar, naar achteren. Zijn tong stak plots een beetje naar buiten. De hond leek opeens wel, tja, een hond.
Verbaasd begon Adrie te lopen; zijn onverwachte bezoeker volgde. Het viel Adrie op dat het dier, ondanks dat ze al die tijd door de wilde natuur liepen, nergens rondsnuffelde en geen enkele keer tegen een boom plaste. 
Pas toen ze eenmaal in het dorp aangekomen waren, had kameraad Hondje zijn behoefte gedaan. Keurig en heel precies; preciés op de oprit van een grote villa waarin een rijke bankiersfamilie woonde. Al snel kwam Adrie erachter dat deze oprit ook werkelijk de enige plek was waar de hond stelselmatig een fikse hoop achterliet.
Op de zesde dag besloot Adrie zijn nieuwe vriend Oeljanov te noemen. Hij had al lang geen vriend gehad. Het beestje was dan misschien een vreemde snuiter, zelfs voor een hond. Maar Adrie ging al snel van hem houden.
Oeljanov was bovendien, en dat stond buiten kijf, de enige politiek geëngageerde hond die Adrie kende.


III. Gagarin vloog de ruimte in

Adrie stapte met grote passen om de hut heen. Als er een raam was, en een fluitketel en een zwak licht, dan zou er toch zeker ook een deur moeten zijn?
"Helemaal niet brandveilig,” mompelde hij bezorgd. “En niet stevig, bovendien.”
Om zijn woorden kracht bij te zetten rammelde hij even flink aan een scheve plank boven het raampje. Het hout liet onmiddellijk los.
Terwijl Adrie het hutje inspecteerde, spitste Oeljanov zijn oren. Zijn baas liet zich gemakkelijk afleiden, wist hij, en was zo nu en dan wat naïef. Oeljanov, daarentegen, was altijd op zijn hoede. Dat was zijn taak als hond. Zeker nu er iets bewoog, daar binnen in de hut.
“Joeeehoeeeee!” klonk er plots vanuit de verte. Adrie schrok op uit zijn overpeinzingen. Hoorde hij dat goed? De kreet was zacht en gedempt, alsof degene die het riep zich meters onder de grond bevond. Adrie deed een stapje achteruit, en toen een stapje vooruit. Hulpeloos keek hij naar Oeljanov.
De hond keek kort terug, met zijn gebruikelijke intelligente blik. Heel eventjes meende Adrie een geamuseerde knipoog op zijn spitse kopje te ontwaren – maar voor hij dat met zekerheid kon vaststellen, begon Oeljanov kordaat te graven.


Illustratie door Puikeprent Illustration & Printmaking


Flarden zand, modder en bladeren vlogen Adrie om de oren. Weer klonk er een rommelend geluid vanuit de lucht, maar Oeljanov groef gestaag door, en Adrie keek beteuterd toe. Naarmate de kuil dieper werd, zag hij de contouren van een grote deur tevoorschijn komen.
“Joeehoeeeee!” klonk er opnieuw. Nu iets dichterbij en iets minder weggemoffeld. Adrie krabde zichzelf zenuwachtig achter de oren. Tot hij zich niet langer kon inhouden en met overslaande stem bulderde: “Wie ben je? En wat doe je daar in hemelsnaam onder de grond?!”
Stilte.
Oeljanov had de deur inmiddels compleet blootgelegd en stopte met graven. Tevreden ging hij zitten en begon zijn poten schoon te likken, grondig doch beschaafd.
Adrie had, al sinds hun eerste ontmoeting, altijd vertrouwd op het instinct van zijn geliefde Ollie. Nog nooit had de hond hem in een gevaarlijke situatie gebracht. Dus Adrie besloot de deur te openen.
Bij binnenkomst slaakte Adrie een kreetje van verbazing; hij bevond zich in een verrassend grote, decadente woonkamer met een stijlvol maar gedateerd interieur. In de hoek van de kamer knipperde een kleine zwart/wit-televisie waarop, zag Adrie, telkens hetzelfde fragment herhaald werd.
“Joeri Gagarin vloog de ruimte in, maar hij zag daarboven geen God!” sprak een nieuwslezer. “Joeri Gagarin vloog de ruimte in, maar hij zag daarboven geen God!”
Steeds opnieuw. Het bericht werkte Adrie op zijn zenuwen. Geïrriteerd stapte hij op het beeldscherm af, vastberaden om het onding uit te zetten – helaas struikelde hij halverwege over een kleine man wiens benen onder de salontafel uitstaken.
“Goedemiddag, mijnheer!” piepte een stemmetje vanonder de tafel.


Illustratie door Puikeprent Illustration & Printmaking



IV. De dag dat alles omviel
Adrie draaide zich verrukt om, opende zijn mond om iets te zeggen, maar slaagde er slechts in enkele klinkers uit te kramen.
“Sorry dat ik u liet schrikken, maar ik ben van mijn geloof gevallen,” zei de kleine man bedremmeld. “En nu lig ik hier al een tijdje. Sinds 1961, meen ik. Het water kookt, heeft u trek in thee?”
Ook Oeljanov was inmiddels de hut binnengekomen. Adrie keek verward toe hoe hij, onvermurwbaar, op een kleedje naast de tafel ging liggen.
“Weet je wat het is?” vervolgde de kleine vreemdeling. “Mensen willen hem altijd maar met eigen ogen zien. Je weet wel: God.”
“Ik ben Adrie,” zei Adrie, want verder wist hij even niets. Hij stak zijn hand uit.
“Aangenaam. Mijn naam is Francois, maar iedereen noemt me monsieur Petit. Niet dat ik zoveel mensen gesproken heb, de laatste jaren.”
“Zal ik u overeind helpen?” vroeg Adrie. Zonder een antwoord af te wachten trok hij uit alle macht aan de hand die hij zojuist had vastgepakt. Tevergeefs: de kleine man leek wel aan de vloer vastgenageld.
“Zakkenwasser!” brulde monsieur Petit.
Voor een kleine, ogenschijnlijk gecultiveerde man was Francois Petit verrassend grof in de mond. Hijzelf leek daarover nog wel het meest verbaasd: "Ik ben van mijn geloof gevallen, beste heer," vervolgde hij met grote ogen. "Dat is niet niks. Als zoiets je overkomt, krabbel je niet zomáár weer overeind.”
“Sorry,” mompelde Adrie. “U heeft vast zware botten, want aan uw minuscule postuur kan het niet liggen."
Hij bedoelde het goed, zoals altijd. Toch hief de liggende man plots woedend zijn hoofd op, stootte hem met een luide knal tegen de salontafel waaronder hij zich nog altijd bevond, en bleef vervolgens roerloos liggen.

Het duurde uren voor de kleine vreemdeling bijkwam. Adrie was op een schommelstoel gaan zitten en in slaap gevallen. Zijn hand rustte op de kop van Oeljanov, die zich klaarblijkelijk prima thuis voelde in het ondergrondse huisje.
“Vlegels! Doerakken! Pannenkoeken!” klonk er na al die tijd vanonder de tafel.
Adrie schrok wakker.
“Eerst die zogenaamde zwerfhond, die Laika, die de ruimte in geschoten werd. Dood! En later Gagarin, die geen God zou hebben gezien, daarboven. Toen ging het mis, die dag viel alles om. Inclusief ikzelf.”
“Bij mij ook,” zei Adrie sip. “Dat vliegende hondje heeft me mijn baan gekost.”
Nieuwsgierig trok monsieur Petit zijn borstelige wenkbrauwen op.
“Ik was een weerman, destijds. Maar u kent mij vast niet, want alleen mijn rechterarm was in beeld. Zo ging dat toen.”
Nog altijd, ook na al die jaren, klonk er bij deze woorden een lichte teleurstelling door in Adries stem. Hoopvol toonde hij zijn televisie-arm, de mouwen opgestroopt.
“Lijkt op iedere andere arm,” verklaarde monsieur Petit. Tact was aan hem zelden besteed.
Beteuterd staarde Adrie naar zijn lange, sierlijke vingers. Hij strekte ze, langzaam en één voor één.
"Ik heb het voor Laika opgenomen,” ging hij verder. “In mijn weerbericht, op de nationale televisie. Ik had te doen met het beestje. Een hond zonder baas, dat is als een regenbui zonder wolk. Onmogelijk. Een hond zonder baas is altijd op zoek. Net zolang tot hij wél bij iemand hoort, net zoals trouwe Oeljanov hier.”
Kort wierp hij vanuit de schommelstoel een blik op Ollie. Maar Oeljanov keek niet terug. Zijn kop hing een beetje naar beneden en hij oogde ouder en bezorgder dan ooit, daar naast de tafel. 
“Laika zocht tot in de ruimte," fluisterde Adrie. "Daarom was ze braaf, en deed ze wat er van haar gevraagd werd. Dát is wat ik denk."


V. De toren van Babel 
Terwijl Adrie en Oeljanov zich in het hutje onder de grond bevonden, greep het bos haar kans onopgemerkt te sudderen en te beven. Het weer veranderde: de strak blauwe hemel maakte plaats voor grote, grijze wolken die zich langzaam maar zeker boven de open plek samenpakten. De wind liet de bomen knarsen en knerpen, en de zwiepende takken gaven op hun beurt de wind weer een extra duwtje in de rug.
Maar binnen hadden zij niets door. In de hut aaide Adrie, eenmaal uitgesproken, Oeljanov zorgzaam over zijn kop. Er viel een korte stilte. Monsieur Petit had zijn ogen gesloten, en heel eventjes vroeg Adrie zich af of de kleine man überhaupt wel naar zijn verhaal had geluisterd.
Net op dat moment maakte Petit een hard, snurkend geluid en opende zijn ogen.
“Interesseert me eigenlijk niks,” mompelde hij. En dat was zijn antwoord. Vervolgens zette hij snel zijn eigen monoloog voort.
"Neem nou de toren van Babel - dat ding moest uiteindelijk tot in de hemel reiken! De minkukels waren toen al met een vermomd ruimteschip bezig. Maar God wil niet gezien worden. Daarom is 'ie nu helemaal weg. Hij had er genoeg van. Soit!"
Lange tijd staarde Adrie naar het sikkeneurige hoopje mens onder de salontafel. Zijn hoofd suisde. Was dit nu wat er overbleef? Als alles waar je ooit in geloofd had plots ophield te bestaan? Zelf wist hij het ook niet altijd even goed. Hoe het nou zat, of wat hij moest geloven. Veel geluk had hij nooit gehad. Maar hij had altijd nog zijn kleine caravan, het bos, zijn lange wandelingen met Ollie. 
“Kom, vriend” sprak Adrie tegen Oeljanov. Hij trok resoluut zijn grauwe colbert recht, klopte de laatste resten modder van zijn broek en haalde verward een hand door zijn grijze haren.
“Monsieur Petit heeft andere, hogere zaken aan zijn hoofd,” vervolgde hij. “Hij heeft helemaal geen tijd om zomaar wat naar zijn medemens te luisteren, of simpelweg eens te kijken naar de wereld om hem heen." 
Met grote, gekrenkte stappen verliet Adrie de kamer. Richting de grote deur, en daar de helling van blubber en takken op.
Zijn broek werd opnieuw vies.

Eenmaal boven, op de open plek, bleek de avond te zijn gevallen. Adrie vroeg zich af of hij werkelijk zo lang in de hut was geweest. En waarom de schaduwen van de bomen groter en duisterder leken dan voorheen.
“De aarde maakt zijn rondje snel vandaag,” zei Adrie. Hij sprak tegen niemand in het bijzonder, een beetje tegen zichzelf, en altijd tegen Oeljanov.

Maar Oeljanov was nergens te bekennen.

“Vriend?” mompelde Adrie. Hij zou toch zweren dat de hond zojuist nog achter hem had gelopen, tegen de modderige helling op. Hij had de bladeren horen ritselen en zijn zachte vacht langs zijn enkels gevoeld. Oeljanov moest al buiten zijn, het kon niet anders.
Adrie stond net op het punt een rondje om de hut te maken toen een felle, oogverblindende flits de open plek verlichtte. Meteen daarop volgde een harde, doffe knal – alsof er een betonblok neerstortte, ergens in het donkere bos.
“Sodemieters!” gilde Adrie.
En toen was het stil, op de wind en het kraken van de bomen na. In elkaar gedoken zat Adrie onder het afdakje van de hut. Hij was nooit een held geweest, ook niet eentje op sokken. Het liefst zou hij bij de hut blijven zitten, verscholen onder een een dekentje, wachtend op de zonsopgang. Dan zou hij terugkeren naar zijn caravan en zich nooit meer ergens mee bemoeien.

Het was enkel de blaf van Oeljanov, ergens in de verte, die hem op deed staan en verder de duisternis in lokte.

VI. Het bos was stil
Adrie begon te lopen, zo snel als zijn lange benen hem dragen konden. Hij telde zijn passen. Bij iedere stap die hij zette werd hij een beetje kalmer. Was zijn leven niet altijd een aaneenschakeling van onvoorziene gebeurtenissen geweest? Ogenschijnlijke toevalligheden? En waren de dingen, even toevallig, niet altijd min of meer weer samengekomen? Vroeger of later klopt de puzzel, past de schoen. Meestal precies op het moment dat de oorzaken allang vergeten zijn – en de verbanden onnavolgbaar.
Het duurde lang voor Oeljanov opnieuw van zich liet horen. Adrie had al honderden passen geteld toen hij, vrij dichtbij, een stel hondenpootjes opgetogen door de bladeren hoorde trippelen. Toch was Oeljanov zelf nergens te zien.
“Ollie?” fluisterde Adrie. “Waarom kom je niet naar me toe, vriend?”

Maar Adrie was nog niet uitgesproken, of het geluid leek zich bij hem vandaan te bewegen. Verward begon hij in de richting van het geritsel te lopen. Steeds wanneer hij naderde, versnelden de hondenpootjes hun pas. Net zolang totdat Adrie moest rennen om Oeljanov, of hetgeen waarvan hij dacht dat het Oeljanov was, bij te kunnen houden.
Adrie had geen idee waar deze achtervolging hem heen zou leiden, of waarom. Takken en struiken zwiepten tegen zijn gezicht. Maar hij rende, alsof zijn leven ervan afhing – want hij was een baasje, en Oeljanov was zijn hond.

Pas toen hij plotseling geen rennende pootjes meer hoorde, kwam Adrie tot stilstand. Hij plofte op zijn knieën en hapte naar adem. Met dichtgeknepen ogen probeerde hij zich te oriënteren in de duisternis.
Hij bevond zich op het hellende vlak van een heuvel, direct onder een stukje heldere hemel. Ietsje hogerop, waar het landschap weer vlak leek te zijn, bevond zich een groot, donker object dat een vervaarlijke schaduw over de heuvel wierp.
Twijfelend staarde Adrie omhoog. Nu zijn eigen gehijg was opgehouden, merkte hij het pas op: niet alleen het mysterieuze getrippel was opgehouden, maar het hele hele bos was stil.
Zelfs de wind leek haar adem in te houden.


VII. Als een kleine trom

Ondertussen keek Oeljanov naar de sterren, vanachter het ruitje van de capsule. Hoe lang zou het nog duren voor zijn baasje hem zou vinden? Hij wachtte al zo lang. De rest van de wereld was hem vast vergeten, maar dat deerde niet. Hij had een baas gevonden, na heel lang zoeken, en nu was het aan de baas om hém te vinden.
Aan de voet van de heuvel schraapte Adrie zijn moed bij elkaar. Zijn benen trilden een beetje van alle inspanning; hij was de jongste ook niet meer. Maar hij moest en zou de heuvel beklimmen. Dus hij begon. Tijdens de klim richtte hij zijn blik omhoog, zodat hij het grote object daarboven goed in de gaten kon houden.
“Ollie, gekke ollie - wat doe je me aan?” zuchtte hij.
Eenmaal op de helft drong een lichte brandlucht zijn neus binnen, alsof er in de buurt iets aan het nasmeulen was. Turend constateerde Adrie dat het object bovenop de heuvel voor een groot deel zwartgeblakerd was. Aan de zijkant leek zich een klein, vies ruitje te bevinden.
Voorzichtig hees hij zichzelf nog een stukje omhoog. Totdat de stilte in het bos abrupt werd doorbroken door een geluid dat hij onmiddellijk herkende: een kwispelende hondenstaart die, subtiel maar vol verborgen verwachting, eenmaal tegen de grond sloeg.
“Ik ben er bijna!” riep Adrie. “Bijna, en loop nu alsjeblieft niet weg!”
Niet lang daarna hoorde hij de staart opnieuw. Hij leek te landen op een metalen oppervlakte, dit keer ietsje harder. Als een kleine trom.
Vastberaden begon Adrie aan het laatste stukje van de klim. Kluiten zwarte modder rolden naar beneden, de duisternis in, terwijl hij zich tegen de heuvel afzette. De staart kwispelde inmiddels op volle vaart. Zo was het altijd gegaan. Op al die doodnormale dagen, wanneer Adrie de caravan naderde en Oeljanov op hem lag te wachten. Opgevouwen in een bolletje begon hij dan te kwispelen, steeds iets enthousiaster, om uiteindelijk loom op te staan en Adrie te begroeten.
Elk moment nu, dachten zij allebei. Elk moment kon Oeljanov vanachter dat gevaarte verschijnen. Elk moment kon de baas hem vinden.
Maar Adrie zag nog altijd niets – behalve dan de sterren, een halve maan, het object, en alles daar voorbij.


VIII. Een brief van God

Na Adries plotselinge vertrek was monsieur Petit stug verder gegaan met het enige wat hij feitelijk kón doen: slapen. Als een eenzame, sikkeneurige mol probeerde hij in een diepe winterslaap te raken. Soms hoopte hij dat hij zomaar zou verdwijnen. Maar steeds als hij zijn ogen opende lag hij nog altijd onder de salontafel, niet in staat om op te staan.
In de hoek van de kamer flikkerde zijn vertrouwde, kleine televisie. 'Joeri Gagarin vloog de ruimte in, maar zag daarboven geen God!'
Op de onvermijdelijke momenten dat Petit toch even wakker was, schoot zijn gezicht onmiddellijk in een verzuurde grimas. Waarom was het enige bezoek dat hij sinds jaren had gehad zo plotseling vertrokken? Had hij iets verkeerds gezegd? Monsieur Petit gaf het niet graag toe, maar ook hij had zo nu en dan behoefte aan een praatje. Wie wist hoe lang hij nu weer moest wachten?
Twee dagen kropen op deze manier voorbij. Tot Petit plotseling wakker werd van iets wat hij al lang niet meer gehoord had: stilte. De televisie was uitgevallen. Met open mond hief de kleine man zijn hoofd op. Op het scherm was enkel sneeuw te zien, maar na enkele seconden stelde de televisie opnieuw scherp. Langzaam maar zeker verscheen er een nieuwslezeres in beeld – dit keer in kleur, en in een aanzienlijk moderner decor dan voorheen het geval was geweest.
“Wat is dit voor magie?!” piepte monsieur Petit. Vol ongeloof keek hij naar het scherm. De schelle stem van de nieuwslezeres galmde door de woonkamer, maar de woorden drongen niet door. Waarom sprak ze niet over Joeri Gagarin? Ze spraken altijd over Gagarin!
Petit kon zijn aandacht er pas bij houden toen de nieuwslezeres onverwachts de naam van een wel heel bekend bos noemde: zijn éigen bos. Het grote gebied waarin hij al jaren woonde, en Adrie en zijn hond Oeljanov elke dag opnieuw rondwandelden.

Monsieur Petit spitste zijn oren. Als hij de vrouw moest geloven, was er een wrakstuk van een verloren gewaande ruimtecapsule gevonden, niet ver van zijn huis.
“De exacte herkomst is nog niet vastgesteld,” vertelde de nieuwslezeres. “Nog opzienbarender dan de vondst zelf, is de schriftelijke boodschap die op de capsule aangetroffen werd. Aan de echtheid ervan wordt logischerwijs sterk getwijfeld, maar toch hebben de woorden nu al verhitte levensbeschouwelijke discussies opgeroepen.”
Het journaal toonde beelden van een zwartgeblakerd object met een klein, vies ruitje. In hanenpoten was er iets op de zijkant gekrast: 'Houd je troep bij je' – getekend 'God'.
Monsieur Petit slaakte zijn zoveelste kreet. Niet alleen vanwege de boodschap, die hem zichtbaar verblijdde, maar ook vanwege wat hij in het hoekje van het scherm zag: de mauw van een versleten colbert en een hand met sierlijke, dunne vingers. Een knokige wijsvinger wees naar het wrakstuk, zoals een schoolmeester een plaats op een kaart aanduidt.
De nieuwslezeres vervolgde: “Het wrakstuk werd aangetroffen door voormalig weerman Adrie Mooiweer, die in 1957 werd ontslagen vanwege zijn openlijke compassie voor ruimtehond Laika - het eerste levende wezen dat destijds door de Sovjet-Unie in een baan om de aarde werd gebracht.”
Direct na het nieuwsitem viel de televisie opnieuw uit. Monsieur Petit schudde verward zijn hoofd. Het was allemaal teveel om te bevatten: een boodschap van God, in zijn eigen achtertuin? Echt? Urenlang staarde hij wezenloos voor zich uit. Een minuutje meer of minder maakte nu ook niets meer uit.
“Liever goedgelovig dan ongelovig,” besloot Petit na zijn eindeloze stilte. Zijn stem kraakte. Onmiddellijk voelde hij een tintelend gevoel in zijn onderlichaam. De woorden op de capsule hadden zijn hart ontdooid. Hij had ze nodig. Ze gaven hem een sprankje hoop – en dat liet hij zich niet nog een keer afpakken. Zonder geloof waren al zijn dagen grijs. En zonder geloof leek zijn kleine huis, met alles erin, steeds maar dieper door de aarde opgeslokt te worden.
Monsieur Petit stond op, alsof het niets was, en haalde de schreeuwende fluitketel van het gasfornuis. Hij schonk zichzelf een grote kop groene thee in. Dat had hij nu wel verdiend, vond hij.

Maandag 24 September 2012 op 22:03  |  
  |    |  

twee reacties

Jofram

Leuk! Apart en surreëel, maar leuk!

Jofram
, - 12-06-’12 00:05
Hannah

MEER! MEER! MEER!

Hannah
, - 24-09-’12 15:43
(optioneel veld)
(optioneel veld)
Om spam te voorkomen, vragen we je deze simpele vraag te beantwoorden (schrijf het getal voluit):
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.