Gelukkige mensen

Altijd wanneer ik baal van de willekeur van mijn bestaan en opeens in de illusie verkeer dat ik alleen ben in dit lijden, ga ik even een tros bananen halen. Nergens vind ik namelijk de weerbarstigheid van het leven beter terug dan op het winkelplein nabij mijn huis. De worsteling blijkt al uit de ondernemingen die er gevestigd zijn: het is het soort plek waar je vanuit de budget sportschool direct tegen een Vietnamese loempiakraam aanloopt. Er zit een apotheker, maar ook een slijterij. What to do? Brommers en gedateerde autootjes domineren het straatbeeld en het is niet ongebruikelijk dat de ingangen van de winkels bewaakt worden door roedels nerveuze honden aan paaltjes. Je kunt daar allemaal veel van vinden. Ik vind het vooral leuk dat mijn buurtgenoten elkaar kennen en zich bovendien zo vrij voelen om in hun joggingbroek in de publieke ruimte te verschijnen. Doe ik ook graag. De dingen worden hier niet mooier gemaakt dan ze zijn. Vandaag al helemaal niet.
Ik sta voor de supermarkt met mijn hangslot te prutsen wanneer ik een gesprek opvang tussen een echtpaar op leeftijd en een vrouw die – ik kan er niets anders van maken – woedend geboren lijkt te zijn. Diepe groeven hebben zich in haar voorhoofd genesteld en haar wenkbrauwen verraden een permanente staat van verontwaardiging.
“Goeiedag,” probeert de man nog. “Hoe is 't nou?”
“Slecht!” schreeuwt de vrouw. Onmiddellijk begint ze een onsamenhangend verhaal over haar buren en de exacte dikte van de muren in hun portiekwoning. Ze informeert niet naar het welzijn van het echtpaar – al was het maar voor de vorm – maar begint tegen het einde van haar klaagzang gewoon weer van voren af aan: “Slecht, slecht! Tot twee uur 's nachts gaan ze door. Het is verschrikkelijk. Verschrikkelijk.”
“Verschrikkelijk,” bevestigt de man.
“Dat zeg ik,” jammert de vrouw. “Verschrikkelijk.”
Ik kan het niet langer aanhoren en vlucht langs een piepende Jack Russel de winkel in, maar ook daar mept het leed van alledag me vol in het gezicht. Bij het schap met Knorr-pakjes en sauzen beleeft een jongen van een jaar of vijftien zijn eerste werkdag. “Dit wordt de mooiste dag van je leven,” drukt een van de vaste krachten hem op het hart. Direct daarna volgt een vreugdeloze lach die ook prima voor een snik zou kunnen doorgaan, alsof de de beste man eigenlijk bedoelt te zeggen: “Welkom in de hel, mijn zoon! De hel die betaalde arbeid heet!” De tiener zwijgt, niet uit medeleven of ongemak, maar uit pure verveling. Langzaam vist hij een pak nasimix uit de steekkar en plaats hem achteraan in het schap. “Netjes,” zegt zijn mentor. “En dit doe je dan de hele ochtend.” Weer die lach. Het lijkt nu nog meer een snik.
De jongen zucht opzichtig.
Kinderen jengelen, de slager schreeuwt, de kassadame is chagrijnig en bij de servicebalie ruziet een stel over het merk vloeitjes dat gekocht moet worden. En ik? Ik verlaat de winkel in de volledige overtuiging dat heel de stad met het verkeerde been uit bed is gestapt en dat het met mij misschien allemaal nog wel meevalt. Dan zie ik haar staan, het kon er ook nog wel bij: de straatkrantverkoopster met haar verweerde gezicht en donkere haren. Ze dringt zich niet op en loopt niet te roepen. Ze staat er alleen maar en kijkt. Ik heb er een gewoonte van gemaakt haar te begroeten, ook als ik geen krantje koop. Als bakkersmeisje en hondenbezitter doe ik toch al de godganse dag niets anders dan wildvreemde mensen gedag zeggen; eentje meer of minder maakt dan ook niet meer uit. Noem het beroepsdeformatie.
“Daar bent u weer,” zeg ik. “Gaat het goed?”
“Mooi weer,” antwoordt de vrouw. Ze glimlacht. “Fijne dag!”
Terwijl ik naar mijn fiets loop, vraag me af wie van deze mensen nu eigenlijk het gelukkigst (of beter gezegd: het minst opzichtig ongelukkig) is. Als de dakloze vrouw kon kiezen, zou ze vast liever vakkenvullen tegen een schraal uurloon dan nog een dag langer buiten te staan met die verrekte krant. Ze zou ook willen dat ze buren had, al dan niet luidruchtig, om zich over op te winden. Het zou betekenen dat ze überhaupt een dak boven haar hoofd had. Toch is juist zij de enige die ik vandaag niet hoor klagen.
Even verderop zie ik de woedende vrouw het plein verlaten, de schouders opgetrokken. Zelfs van de achterkant lijkt ze verbitterd. Mijn slot klemt nog steeds en het contrast tussen haar en de dakloze vrouw maakt me boos. “Verschrikkelijk,” echoot er door mijn hoofd. Even heb ik de neiging te vloeken, misschien zelfs geïrriteerd te grommen, maar ik maan mezelf tot bedaren. Het is verdorie mooi weer. Als ik maar wil, is het gewoon een fijne dag.


Dinsdag 24 Maart 2015 op 08:10  |  
  |    |  

Eén reactie

Eduard

Nu ga ik dus de hele dag nadenken waar dit is.

Eduard
, (URL) - 01-04-’15 10:53
(optioneel veld)
(optioneel veld)
Om spam te voorkomen, vragen we je deze simpele vraag te beantwoorden (schrijf het getal voluit):
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.