Strike

“We komen voor het kegelen.”
De man achter de bar van het café trekt geamuseerd een wenkbrauw op. Het is zaterdagavond en samen met mijn beste vriendin heb ik het onwaarschijnlijke plan opgevat om naar de open avond van de lokale kegelclub te gaan. Onze vriendschap is in principe gefundeerd op een gedeelde passie voor eten gecombineerd met een intense haat voor sportieve activiteiten, maar dingen omver gooien kunnen we allebei vrij goed en tijdens het kegelen kun je ook een biertje drinken. Als we dan toch iets actiefs gingen doen, dan dit.
“Ja – ehm – we willen graag weten hoe dat gaat,” stamel ik. “Kegelen.”
De barman wenkt naar iemand aan de andere kant van de zaal. Naast ons verschijnt een verbaasde, maar vriendelijke pensionado die kennelijk de nobele taak heeft gekregen de nieuwe kegelaars te begeleiden.
“Deze dames willen kegelen,” herhaalt de barman.
“O,” mompelt de man. “O, nou, kom maar mee, dan.”
In colonne volgen we de grijze man. Het is een prachtig historisch pand dat iedereen eens zou moeten bekijken, maar toch zijn we de enige deelnemers op deze feestelijke open avond. Helemaal achterin het gebouw zit de kegelbaan. Geen poespas, geen sfeerverlichting, doodse stilte. Wel veel hout en weeïg groen. Het bedieningspaneel vol ouderwetse knopjes en hendeltjes licht op en de baan begint te knerpen en te ratelen, een bijzonder bevredigend geluid. Dan valt mijn oog op een soort smoezelige, bruine spons die een prominente plaats inneemt in het geheel. Het ding is doordrenkt met water en – zo gok ik – salmonella.
“Waarvoor is dat?” fluister ik.
“Dit ding?”
Kordaat stopt de man zijn duim in de historische spons en begint eens goed te soppen. “Nou – sop – zodat je vinger – sop – glad is en – sop – je de bal gemakkelijker kunt werpen – sop sop – ”
Na het soppen pakt hij een bal uit het reservaat en positioneert 'm op de baan. De eerste bal belandt in de goot, met de tweede werpt hij een kegel of vier omver. Ondertussen is zijn ademhaling zo pieperig dat ik bang ben dat hij erbij neer zal vallen. Hij mompelt dat hij vandaag al zestig ballen heeft gegooid en zijgt dan neer aan een tafel bij de prijzenkast. De man wil leven, thank God, maar mijn opluchting maakt toch onmiddellijk plaats voor hernieuwde angst. Hoeveel worpen omvat zo'n potje kegelen in godsnaam?!
“Nu jullie. Rechts begint.”
Aarzelend stap ik de baan op en til een willekeurige bal uit het rek.
Helemaal fout, blijkt.
De pensionado veert met hernieuwde kracht op en pakt mijn pols stevig vast. Even ben ik bang dat hij mijn hand in de historische spons zal drukken, maar godzijdank: hij probeert enkel mijn vingers in een zeer onnatuurlijke positie op de kegelbal te positioneren. Dan mag ik gooien. Ik neem een horkerig aanloopje en laat de bal met een doffe klap op de baan vallen.
“Die gaat eraf,” zucht onze begeleider.
In doodse stilte kijken we toe hoe de bal – inderdaad – in de goot belandt. Pas na een paar worpen krijg ik de smaak een beetje te pakken. Mijn vriendin, daarentegen, blijkt een natuurtalent. Binnen de kortste keren gooit ze een strike. En dan nog één. Vreemd genoeg lijkt onze docent wat moeite te hebben met dit plotselinge succes. Vanaf de tafel achterin de zaal voorziet hij onze deathmatch live van commentaar.
“Dit kan helemaal niet. De bal door het midden! En dan toch alle kegels om?! Mijn oren klapperen... On-waar-schijn-lijk! Hier klopt hélemaal niks van!”
“We tarten alle natuurkundige principes!” joel ik.
“Normaal ben ik heel slecht in bowlen!” juicht mijn vriendin.
De baan kermt.
“Kegelen...” kuch ik.
In een kegelzaal die al zo lang meegaat is het vast een doodzonde om kegelen met bowlen te verwarren, zeker na zoveel overmoed en wanstaltige worpen – technisch gezien, dan. Vanaf dat moment gaat het bergafwaarts met onze prestaties. Tot grote opluchting van de pensionado. Om de haverklap horen we hem vanaf zijn tafeltje genoegzaam mompelen: “Die gaat eraf. Kijk, daar gaat 'ie al."
“Vindt u het gezellig?” vraagt mijn vriendin.
“De kegelclub?” De man lacht. “Ach ja – iedereen gaat dood, hè. Allemaal ouwelui.”
Na een worp of dertig houden we het voor gezien. De pensionado bergt de kegelballen op en lijkt opeens best wel in zijn sas. Met een bal door het midden van de baan gooi je géén strike en uiteindelijk gaat iedereen dood. Het moet geruststellend zijn om tenminste die twee dingen in het leven zeker te weten. De baan stopt met ratelen en de lichtjes op het bedieningspaneel doven. Alles is weer gewoon zoals het hoort.


Zaterdag 04 Maart 2017 op 13:24  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Jeuk

Eind december begint het te jeuken. Eerst mijn schenen en kuiten, dan mijn bovenbenen. Half januari moeten ook mijn armen en zelfs mijn buik eraan geloven. Een combinatie van gebrek aan zonlicht, droge lucht in huis door het stoken en een hartgrondige afkeer van vette bodylotions zorgt ervoor dat ik het nieuwe jaar altijd op dezelfde manier begin: bleek, droog en krabbend. Tegelijk met de fysieke aftakeling begint Koning Winter in diezelfde periode vaak ook mentaal zijn tol te eisen.
Dat laatste schijnt vrij normaal te zijn. In Nederland lijden veel mensen aan een winterdip, waarschijnlijk door een gebrek aan zonlicht en bijbehorend tekort aan vitamine D. We hebben moeite om de moed erin te houden zodra de dagen korter worden en het daglicht schaars. In het voorjaar en de zomer voelt alles simpelweg net wat lichter en draaglijker aan: tegenslagen, verplichtingen, het spek op je heupen, de kater na een tuinfeestje. Voor niets gaat de zon op en dat maakt een hoop goed. De zwerver op het bankje zou in de zomer gewoon een man kunnen zijn die een biertje drinkt in de zon. In de winter, daarentegen, is hij echt alleen die stramme dakloze die een koude nacht achter de rug heeft. Kijken door de winterdipbril is niet gezellig. Het is als een fotocamera met allesverslindende flits op een te warm feestje. Opeens zie je alleen nog maar pukkels en zweetvlekken in t-shirts en vraag je je af: in godsnaam, waarom kunnen we ons tijdens het kerstdiner niet functioneel volvreten met rollade en speculaas om daarna een lange winterslaap te houden? Pas ontwaken als de dagen lengen en de narcissen weer in het veld staan?
Het is verleidelijk te zwelgen, maar aangezien de meesten van ons geen egels zijn en vrijwel niemand de luxe heeft een paar maanden lang binnen te blijven, zullen we toch op zoek moeten naar andere coping strategies. De mijne is dit jaar: hopeloos op de feiten vooruit lopen, als een hond die een worst wordt voorgehouden. De strategie komt in drie stappen.
1. Maak het probleem inzichtelijk en behapbaar door iedere dag naar de internetpagina zonsopgang.info te surfen. Daar vind je een tabel waarin per dag staat aangegeven wanneer de zon opgaat en ondergaat. Het gaat langzaam, maar je zult zien dat het iedere dag toch echt een paar minuutjes langer licht is. In korte tijd kan er best veel veranderen. Kijk maar naar de vormgeving van de pagina an sich; dat zou geen enkele vormgever nu nog zo aanpakken.
2. Grijp kansen. Op de spaarzame momenten dat er een waterig zonnetje te zien is tijdens de wandelingen met mijn hond, houd ik mijn pony naar achteren, gooi ik mijn hoofd in mijn nek en probeer ik met mijn bleke poriën al het licht te absorberen: “Vitamine D – come at me bro.” Denk aan de film Titanic: wil je sneue Jack & Rose op de kastdeur zijn, of blije Jack en Rose op de kop van het schip? Nou dan.



3. Pas je dieet alvast een beetje aan. Niet langer iedere werkdag stamppot en snert. Richt je blik op de Orient, koop die Desperado's, poets je barbecuetang. Kiés voor de zomer. Zo kookte ik gisteravond kneiterhete spaghetti voor mijn favoriete lotgenoot. Geen semi-winterse kost met peen en bleekselderij – zoals bij de traditionele bolognesesaus – maar nee: een lichte, zomerse tomatensaus met chilivlokken. Bek in de hens, een opkalefater voor de ziel. Ook aan bijpassende consumpties had ik gedacht.
“Hier,” zei ik. “Een lekker biertje.”
Hij tuurde naar het flesje dat ik in zijn hand drukte en fronste.
“... Witbier?”
“In aanloop naar de zomer!!!11”
Stilte.
“Licht en fris, lekker toch?! Toch?!”
De kunst is hoopvol en aanstekelijk te klinken, maar altijd een licht agressieve en dwingende ondertoon te hanteren. Er is geen keuze. Samen slaan we ons door dit koude en donkere seizoen heen, de kop diep in het zand en het lelijke zonsopgang.info als collectieve startpagina. Misschien vallen we vervolgens met z'n allen ten prooi aan spring lethargy of frühjahrsmüdigkeit, dat schijnt ook te bestaan, maar dat is een zorg voor later. De lente laat tenslotte nog best lang op zich wachten (maar dat hebben jullie niet van mij) en voor alle jeuk – mentaal of fysiek – geldt: niet krabben, dat maak het alleen maar erger.


Maandag 30 Januari 2017 op 14:52  |   Eén reactie  |  
  |    |  

IJsselwater

Het is zaterdag en bij hoge uitzondering hebben mijn zus en ik ons zomaar gelijktijdig in het ouderlijk huis verschanst. Allebei hebben we ons kind meegenomen. Mijn nichtje van drie zit roerloos op klandizie te wachten in een heel klein winkeltje van karton (handelswaar: diverse levensmiddelen + enkele steppedieren) en mijn hond graaft in de tuin alle planten uit. Niet voor niets werd de Stabij vroeger gebruikt als mollenvanger op het land. Om de paar minuten zie ik hoe mijn vader met een bezem de schuur uit gesneld komt om het beest vermanend toe te spreken en de tuinaarde terug in de borders te vegen. Mijn hond lacht stompzinnig, de snuit onder de modder. Keer op keer wacht hij keurig tot mijn vader terug is op zijn post, om vervolgens de graafwerken met onverminderd enthousiasme te hervatten.
"Eigenlijk vindt hij het hartstikke leuk, zo'n hond die wat rondscharrelt," beweert mijn moeder. Net zoals mijn vader is ze druk in de weer, maar dan met kopjes koffie en thee en lekkers voor iedereen. "Maar ja, hij wil er niet meer aan. Een hond moet je altijd begraven."
Ik nip van mijn koffie en knik.
Ze heeft een punt. Door het ruitje van de woonkamerdeur zie ik een portret van onze laatste gezinshond, een dom maar lief beest dat wel dertien jaar is geworden. De foto's blijven altijd hangen, gelukkig. Verder lijkt er iedere keer dat ik in het ouderlijk nest ben wel weer iets aan het interieur te zijn veranderd. Mijn ouders zijn uitstekend op de hoogte van de laatste woontrends en een koophuis is nu eenmaal nooit af. Ook niet na vijfentwintig jaar. Niet in de laatste plaats kunnen ze nogal moeilijk stilzitten, die ouwelui van mij.
Mijn nichtje heeft eindelijk de winkel gesloten en zegt dat ze haar slaapkamer bij opa en oma wil laten zien. Omdat we verspreid over het land wonen, zie ik haar niet zo vaak. Daardoor is ze soms een beetje verlegen. Ik eigenlijk ook. "Ik ga even met haar boven kijken," besluit ik.
We kijken elkaar schaapachtig aan.
"Niet schrikken," zegt mijn moeder, zelf duidelijk geschrokken. "Jouw kamer is op 't moment wel echt meer... een rommelhok. We zijn ermee bezig."
"Snap ik wel," verzeker ik haar. "Ik slaap hier toch bijna nooit."
Het zit mijn moeder toch niet lekker, kennelijk. Ze veert op, laat het kopje thee dat ze ein-de-lijk voor zichzelf had ingeschonken voor wat het is en loopt achter ons aan de trap op. Ik hoor beneden woest geveeg op de schoenborstel achter het huis en het openschuiven van een deur. Ook mijn vader zet de achtervolging in, zoveel is duidelijk. Vlak voordat ik de deur van mijn oude zolderkamer open, komt de aap uit de mouw, de bron van alle onrust boven water.
"We hebben je bed verkocht!!" flapt hij eruit. "We dachten, nou ja –"
" – we kwamen nog wel een stripboek tegen dat je als kind zelf getekend hebt. Maar het ligt denk ik beneden. Heel leuk! Ik zal het zo zoeken – ”
"Het geeft echt niet," probeer ik opnieuw. "Ik ben ook al tien jaar uit huis, hè."
Met veel bombarie word ik alsnog zo snel mogelijk naar een verdieping lager gedirigeerd, waar mijn nichtje trots haar eigen logeerkamer laat zien. Na een korte, chaotische tour van de gehele bovenverdieping gaan we in colonne weer naar beneden. Het handwerkje uit mijn jeugd ligt vermoedelijk in 'de nieuwe kast', een hip exemplaar met zo'n 3928 kleine laatjes. Mijn moeder begint linksboven. Kwiek start ze met schuiven: open en dicht, kijken, open en dicht, kijken, “hij zou hier echt moeten liggen...” Alle vakjes gaat ze bij langs. Ondertussen staat mijn vader in de keuken eveneens onophoudelijk lades en kasten open en dicht te doen. De thee is allang koud. Deze mensen zijn onvermoeibaar. Daar kan ik nog een puntje aan zuigen.
"Ga nou alsjeblieft gewoon even zitten," zegt mijn zus.
"Ja," beaam ik. "Dat geschuif."
Ruim twee uur en een avondmaaltijd later is er wat rust in de tent.
We zitten in een kring en converseren.
Bijna zoals een normale familie.
"Waar we nu toch achter zijn gekomen," grinnikt mijn moeder opeens. "Ik zei toch dat we volgend jaar 35 jaar getrouwd zijn? En dat we het dan met z'n allen gaan vieren? En dat iedereen de datum maar eens moest vrijhouden, voor die ene speciale keer?"
"Ja?" fluister ik.
"Nou... nu blijkt dat we allang 35 jaar getrouwd zijn!"
"Vorig jaar!" grinnikt mijn vader. "Hoh hoh hoh."
"Nooit aan gedacht," doet mijn moeder nog een duit in het zakje.
In stilte maken we allemaal dezelfde eenvoudige, maar ongelooflijke rekensom. De datum staat in elk geval vast. Daar is niks meer aan te doen. We kunnen er allemaal bij zijn.
"Zevenendertig jaar is óók bijzonder," mompel ik. "Toch?"
Na de koffie kondig ik mijn vertrek aan. Ik krijg zoveel eten mee dat ik een extra rugtas nodig heb om het te vervoeren: hachee en snert en zuurkool. Mijn moeder heeft het allemaal van tevoren en op grote schaal gekookt, alsof het niets is. Ze loopt ook met kordate passen mee naar het station, alsof het niets is. Ik weet niet wat er in het water zit, daar bij de IJssel. Maar ik denk en hoop dat mijn ouders nog heel lang kwiek en onvermoeibaar door het leven zullen gaan – om op een goede, maar verwarrende dag opeens tot de conclusie te komen dat ze het jaar ervóór al vijftig jaar getrouwd waren.


Maandag 05 December 2016 op 17:22  |   Geen reacties  |  
  |    |  

De volgende stap

Ik zit op een verjaardagsfeestje vol zwangeren en jonge ouders en nip zwetend van mijn appelsap. Het is begonnen, schiet er door mijn hoofd. De hele tijd ben ik bang dat een van de peuters naar me toekomt, met die grijpgrage handjes en doordringende oogjes. “Het was gewoon tijd voor de volgende stap,” zegt de jongen naast me. We converseren over zijn verhuizing vanuit de hoofdstad naar een koophuis in een kleinere gemeente en de daarop volgende – welhaast onvermijdelijke – geboorte van het Eerste Kind. Het geluk straalt er vanaf.
Ik word daar altijd een beetje sip van.
Niet omdat ik die mensen hun geluk niet gun of hun levenswijze afkeur, maar omdat het me ergens toch het gevoel geeft dat er aan mij iets mankeert. Ik heb nog niet zoveel Stappen des Levens gezet en ben het eigenlijk ook niet van plan. Ik hoef niet zo nodig een koophuis, al helemaal niet als dat betekent dat ik dan (god verhoede) fulltime moet werken. Ook voel ik vooralsnog geen enkele behoefte om kinderen te baren. Het lukt me nauwelijks zelf de deur uit te komen zonder tandpasta of kipkerriesalade op mijn kleding en als mijn hond drie keer niest, ben ik al geneigd in paniek op Google in te typen: 'hond niest fataal???' Oók nog verantwoordelijk zijn voor een andere homo sapiens? Het lijkt me zenuwslopend. Als ouder-verzorger ben je bovendien nooit meer alleen: een nachtmerrie voor iedere einzelgänger. Je kunt een baby niet een paar uur achterlaten met een bak water en een kluif, schijnt. Ik vind dit een heel reëel bezwaar.
Maar hoe diplomatiek en doordacht ik mijn bezwaren ook breng, toch heb ik de afgelopen jaren al een aantal keer te horen gekregen: “Wacht maar, over een paar jaar gaan die eierstokken wel rammelen!” Voor iemand die weloverwogen tot de conclusie is gekomen dat het conventionele stappenplan voor hem of haar wellicht niet the way to go is, klinkt zo'n reactie ongeveer even absurd als: “Wil je al een everzwijn?! Wacht maar, over een paar jaar wil je wel een everzwijn.”
Het is niet alleen absurd, maar soms ook vervelend en belerend.
Toch denk ik wel te begrijpen waar het vandaan komt.
In de wetenschap wordt in verschillende disciplines de term horror vacui gebezigd, vrij vertaald uit het Latijn: 'de vrees voor de leegte'. Die term leent zich ook goed voor de manier waarop wij ons leven graag inrichten. Het ideaal is een 'vol' en 'rijk' bestaan, zowel qua bezit als qua relaties. Je moet stappen zetten, doorgroeien, opbouwen, uitbreiden. Leegte en stilstand zijn eigenlijk een beetje taboe. Een relatief lege agenda? Treurig. In zo'n samenleving voel je je al snel een sukkel als je tegen de dertig loopt en nog geen van de Grote Stappen Into Adulthood kunt afvinken: geen vastgoed, geen geregistreerde partner, geen topcarrière, geen kinderen. Alsof jij nog steeds aan het moonwalken bent in de vertrekhal des levens – de voeten aan de grond geplakt – terwijl de rest allang bovenaan het trappetje van het vliegtuig staat.
Zelf ben ik best wel eens bang dat mijn onwil om het geijkte pad te volgen onnodig dwars en mogelijk zelfs egoïstisch en lui is. Op die momenten probeer ik mezelf eraan te herinneren dat het ook in de vertrekhal bést hard werken is om het leven betekenis te geven. Sterker nog: lang niet iedereen is opgewassen tegen het vacuüm. Zonder de hectiek van een gezin of een carrière die al je tijd opslokt, zit je als moonwalker eerst en vooral met jezelf opgescheept. Er is geen bliksemafleider. Je hebt zeeën van tijd en je zult je vervelen. In het beste geval krijg je daardoor creatieve ideeën of voel je je een met de wereld. In andere gevallen kom je tot de conclusie dat het leven in de kern zinloos is. Toch moet je er wat van maken. Deal with it.
Ik denk dat het best goed is voor een mens om zich door dit soort episodes heen te worstelen. Het vacuüm is daarbij onmisbaar en verdient een herwaardering. Wie stil durft te staan zonder bagage, kan beter om zich heen kijken. Zo ontdek je zijsporen die je misschien niet was tegengekomen als je rechtstreeks de trap op was gelopen. Misschien wacht er ergens in het desolate landschap toch nog een everzwijn op je, of een hutje op de hei in Drenthe, of iets precies daar tussenin. En dat is allemaal prima. Zonder horror vacui kun je je in principe naar iedere situatie schikken; misschien wel de beste stap die een mens kan zetten.


Maandag 10 Oktober 2016 op 11:12  |   Eén reactie  |  
  |    |  

Hotdogman

Met logge stappen komt de eenvoudige man de winkel binnen: morsige kleding, rode wangen, verweerd gezicht. Hij draagt geen klompen, maar het had goed gekund. In stilte kijkt hij naar de bakjes met vleeswaren, kazen en groenten die ik aan het bijvullen ben.
“Kan ik u ergens mee helpen?” vraag ik.
De man schudt zijn hoofd en zegt: “Je hebt toch niet wat ik wil.”
Apathisch staar ik naar mijn bakjes. Het zijn er heel veel.
“Waar zat u aan te denken dan? We hebben bijna alles.”
“Tss,” doet hij. “Dit heb je vast niet.”
Het klinkt alsof hij eraan gewend is om teleurgesteld te worden. Niet alleen wat betreft belegde broodjes, maar in alle facetten van zijn leven. Opeens voel ik de onbedwingbare behoefte het tij te keren. Met rollade, met kip, of desnoods salami.
“Dat zullen we nog wel eens zien,” bluf ik. Het komt er strijdvaardig uit, maar eigenlijk ben ik best bang dat de man daadwerkelijk iets onmogelijks bestelt. Bijvoorbeeld levende wormen, of een varken aan het spit. De man trekt zijn wenkbrauw op. Dan dropt hij de bom.
“Ik wil een hotdog. Een échte, U-S-of-A... hotdawg.”
Hij straalt terwijl hij de woorden uitspreekt.
Nu ben ik de lul, zoveel is duidelijk.
“Oei...” zeg ik. “Ik heb heel veel, maar geen hotdog.”
“Ha!” spuwt de man. “Zie je wel. Je hebt het niet."
“... Misschien een broodje warm vlees?”
Hotdogman negeert mijn suggestie. Hij schuifelt verder en neemt nu plaats tegenover mijn collega. Ik vraag me af of ik hem beledigd heb met mijn voorstel.
“Ik wil een hotdog,” zegt hij. “Zoals in de United States of America.”
“Poe,” zegt ze. “Bij de Hema?”
“Dat mag geen hotdog heten,” roep ik. “Geen U-S-of-A... hotdawg.”
Zonder ons nog een blik waardig te gunnen, sloft de man de winkel uit. Hij haalt zijn degelijke herenfiets van het slot. Een Batavus uit 1957, schat ik. Ik stel me voor hoe hij op die fiets helemaal uit Zwaagwesteinde is gekomen, in de hoop dat er in de grote stad Leeuwarden toch zeker wel een hotdog te krijgen zou zijn. Arme man! Geboren in het verkeerde lichaam – namelijk dat van een Friese boer, in plaats van een Texaanse ranchbezitter. Met heel mijn hart hoop ik dat Hotdogman vindt wat hij zoekt. Oppe fiets, misschien wel helemaal tot in de U-S-of-A.


Vrijdag 09 September 2016 op 08:52  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Ongelijk

Het is druk in de trein. “Een hele volksverhuizing,” zoals een oudere man met een rond brilletje het noemt. We zitten in het halletje op heel kleine stoeltjes en de ruimte ruikt naar urine. Naast me zit een vrouw te lezen op een e-reader. Jaar of veertig, saaie bril, stevige wandelschoenen. Het lijkt me iemand die overal het meest degelijke en duurzame model van koopt. Aangezien ik zelf ooit ook een e-reader wil, besluit ik even op haar schermpje te gluren naar het merk en de beeldkwaliteit. Het is helemaal niet mijn bedoeling om mee te lezen, maar toch springen een aantal zinsneden onmiddellijk in het oog. Een kleine bloemlezing: “hij haalde zijn stijve pik tevoorschijn”, “gooide haar tegen de muur” en “ze vreeën op de keukentafel.”
In shock neem ik haar verschijning nogmaals in me op. Het contrast is overweldigend. Haar kleding is geheel beige en haar gezicht emotieloos, alsof ze een vogelgidsje aan het doorbladeren is, of de nieuwste folder van de Lidl. Niets verraadt dat ze en public dingen zit te lezen over stijve geslachtsdelen, maar als je zoiets dan eenmaal weet, is het verdomd moeilijk te unseen. Nonchalant probeer ik wat uit het raam te kijken. In de reflectie zie ik dat er een stompzinnige grijns op mijn gezicht gepleisterd zit.
Ik hoop dat het overgaat. Nog anderhalf uur en ik zit op een soort netwerkbijeenkomst met allemaal mensen die ik niet ken. Mensen die – net als ik – wel eens een schrijfavond organiseren. Ik vind dat spannend, maar dat is niets nieuws. Ik vind heel vaak dingen spannend, groot of klein. Daardoor wordt iedere gelegenheid een strijd. Ga ik wel? Ga ik niet? In godsnaam, hoe zeg ik af? Moet ik een reden noemen? Per mail of telefonisch? Maar dat is dan een smoes! Misschien moet ik gewoon gaan? Ik kan altijd nog weg. Achteraf is het vaak wel leuk. Zal ik zeggen dat mijn hond onwel is geworden?
Enzovoorts.
Het wikken en wegen kan zo een halve dag in beslag nemen.
Een paar uur voordat ik op de trein stapte, vertelde ik een boezemvriend nog over mijn steeds terugkerende verlangen om dit soort gelegenheden af te zeggen. “Luister naar je gevoel!” grapte hij. “Als ik naar mijn gevoel zou luisteren,” antwoordde ik, “dan zou ik nooit meer de deur uitkomen.” We lachten, maar eigenlijk was er geen grap. Ons 'ha-ha-ha' had net zo goed een noodlottig snikken kunnen zijn.
De trein komt op tijd aan en ik wandel naar het adres.
Het blijkt, uiteraard, het verkéérde adres te zijn.
Drie telefoontjes en een ellenlange wandeling later, merk ik dat de spanning eindelijk uit mijn lichaam verdwenen is. Ik ben inmiddels ruim drie kwartier te laat en dus is mijn eerste indruk reeds naar de tering. Dat lucht op! Vanaf nu kan het alleen nog maar beter kan worden. De bijeenkomst vindt plaats in een zogeheten flexwerkruimte voor – zo stel ik me voor – young urban professionals. Kordaat stap ik de geheel witte ruimte binnen. In het midden staat een grote tafel met daarop een luxe lunch. Het eten ziet er veel te goed uit en de andere genodigden ook. Het voelt een beetje alsof ik een Instagram-account ben binnengewandeld. Er is speltbrood en er zijn heel veel verantwoorde salades en shit. Ik doe een verwoede poging mijn haar in het gareel te krijgen. Door de wandeling in de brandende zon zit het als een vettig legokapsel op mijn voorhoofd geplakt.
“Mijn leven is zo moeilijk,” mompel ik. Daarna: “Hallo.”
Terwijl ik plaatsneem, denk ik alweer heel veel dingen: “Deze mensen zijn te perfect. Ze kunnen vast heel goed praten, hun kapsels zitten ook beter en hun schrijfavonden worden vast druk bezocht. Ze weten wat een pitch is, ze kunnen doorpakken, hun doelen zijn stippen aan de horizon en ze hebben geen verrekijker nodig om ze te zien. Mijn god, ze hebben daar waarschijnlijk een app voor. Dadels?!"
Het stemmetje in mijn achterhoofd is vrij hardnekkig. Ik denk aan de beige vrouw en hoe je er soms kilometers naast kunt zitten op basis van een eerste impressie. Achtentwintig jaar later weet ik ook best dat het allemaal vaak een kwestie van acclimatiseren is. Gewoon blijven zitten, dus. Niet te lang stilstaan bij die olijf die al drie keer van mijn vork gevallen is. Niemand denkt daar iets van. En jawel: uiteindelijk blijken deze perfecte mensen ook maar gewone stervelingen met hun eigen worstelingen en onzekerheden. Mensen die ook wel eens hun handen nodig hebben om een moeilijk stukje sla in hun mond te proppen.
Ik leer veel en stap uitgeput maar voldaan op de trein terug naar het Noorden. Daar gaat het verrassingsfestijn gewoon door. Bij het instappen passeer ik twee blitse Marokkaanse jongens, petjes op de hoofden en smartphones in de aanslag, nonchalant smakkend op heel veel kauwgum. Ze zien er – eerlijk is eerlijk – niet uit als de braafste jongens van de klas.
“Mam!" spuwt een van de jongens in zijn telefoon. "Wat eten we vanavond? Willen we weten.”
Er klinkt een schelle, belerende stem uit het apparaat.
Mem op de speaker, zoveel is duidelijk.

“Dat zien jullie vanzelf wel.”
“Wat dan? Wat gaan we eten? Zeg gewoon, ja?”
“Wees blij dat er eten is.”
“Wattan?! Mam! Zeg het.”
De verbinding wordt verbroken en de jongens zuchten. Om me heen hoor ik gegniffel. Ik weet dat alle mensen in de coupé hetzelfde denken: “Eigenlijk heel gewone tienerjongens.” Toch zullen we een volgende keer waarschijnlijk massaal in dezelfde valkuil trappen en een soortgelijk duo wederom met lichte argwaan bekijken. Daarvoor zijn we mensen: hardleers en hoe dan ook bevooroordeeld, onze predisposities en drang om alles en iedereen te categoriseren onontkoombaar. Zo weet ik ook dat ik voor een volgende bijeenkomst gewoon wéér nerveus zal zijn, alle eerdere ervaringen ten spijt. Waarschijnlijk leer ik het nooit. Misschien is blijven proberen dan het beste wat een mens kan doen. Voorbij de eerste indruk en (voor de mede-mietjes) dwars tegen het gevoel in. Het is de enige manier om zo nu en dan je fantastische ongelijk te halen.


Vrijdag 02 September 2016 op 09:14  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Fûgel

Sinds kort heb ik een vogel.
Hij ligt bij mijn achterdeur en is al een tijdje dood.
Mijn nieuwe huisdier heb ik te danken aan de kat van de bovenburen; ik aai het beestje vaak even over zijn kopje als ik mijn fiets in de tuin zet. Als blijk van waardering verschijnen er nu dus met enige regelmaat kadavers voor mijn achterdeur. Eerst waren het muisjes, daarna volgde de grand finale: een flinke kraai. Zijn lichaam was eerst nog fier en vol, maar al snel verscheen er een slijmerig laagje op de veren en leek alle massa uit het beest weg te sijpelen. Als een luchtbed dat langzaam leegloopt.
Het duurde niet lang voordat Operatie Dode Vogel mijn leven volledig beheerste. Iedere dag opnieuw nam ik me voor om de vogel op te ruimen. Mensen vroegen: “Heb je nog plannen voor de zomer?” Ik antwoordde: “Niet zoveel bijzonders: schrijven, en o ja, mijn dode vogel opruimen.”
De dode vogel maakte zijn opwachting op mijn to do-lijstjes en in mijn agenda. Ik spaarde alvast oud papier op dat zou kunnen dienen om de vogel op te pakken. Meermaal daags vroeg ik me af of je een kadaver eigenlijk gemakkelijk kunt opvegen met een stoffer en een blik. Ik bestudeerde mijn keukengerei en probeerde in te schatten of het dode beest tussen de haken van de barbecuetang zou passen.
Maar ja, daarna dan? Mag een dode vogel in de ondergrondse container? Ik zag mezelf al stuntelen met de milieupas in mijn ene hand en De Dood in mijn andere. De vogel zou ongetwijfeld op enig moment uit mijn handen vallen, de buurtkinderen zouden huilen. Misschien toch liever discreet in de groene bak? Een flinke laag vershoudfolie eromheen? Heel veel dingen blijven langer goed in vershoudfolie. Kipfilet, bijvoorbeeld, en dat is eigenlijk ook gewoon een dode vogel.
Ruim drie weken later zit ik aan mijn bureau, vlakbij het raam dat uitkijkt op de achtertuin. Ik tuur naar de klimop, het donkergroene gras en te midden van al dat moois – jawel – mijn onontkoombare dode vogel. Nog altijd op dezelfde plek. Het gaat nu best wel snel, zie ik: het lichaam wordt steeds platter en er lijken eigenlijk alleen nog botjes en veren over te zijn. Onwillekeurig moet ik denken aan de oude begraafplaats net buiten het centrum van de stad. Alle zerken staan er schots en scheef en de aarde rond de graven is onaangenaam zacht. Er zitten daar altijd extreem veel kraaien in de bomen en op het dak van de bijbehorende kapel.
Op die macabere plek heb ik wel eens een tennisbal gegooid en mijn hond erachteraan laten rennen, kriskras tussen de oude graven door. In eerste instantie voelde ik me een zondaar, een soort grafschenner, maar het was een mooie dag en door de ongetemperde blijdschap van mijn hond zag die hele begraafplaats er opeens een stuk gezelliger uit. Kunnen we de doden niet het beste eren door het leven welig te laten tieren, juist op plekken als begraafplaatsen? Waarom wordt het rijk van de doden überhaupt zo krampachtig van het leven gescheiden, terwijl die twee dingen toch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn? Als ik dood was, zou ik best willen dat er mensen op mijn graf kwamen dansen.
Ik sta op en open de achterdeur om mijn dode vogel van dichtbij te bekijken. De vliegen hebben geen interesse meer in het kadaver. Sowieso ziet het beestje er veel minder eng uit dan ik me had voorgesteld. De zon breekt door terwijl de enige logische oplossing zich aandient: ik kan de vogel natuurlijk ook gewoon laten liggen en het zo teruggeven aan de aarde. Dat klinkt hartstikke holistisch en mooi en shit – bovendien hoef ik dan het kadaver helegaar niet aan te raken. Een win-win situatie. Heel lang kan het nu toch niet meer duren. Ashes to ashes, dust to dust, barbecuetang blijft barbecuetang voor barbecue.
Opgelucht plof ik neer op het gras, maar het groen onder mijn billen voelt hard en naar. “Shiiit,” mompel ik. Even vergeten: mijn hele achtertuin ligt vol met kunstgras, een leuk ideetje van een of andere krankzinnige vorige bewoner. Ik kijk nog eens naar mijn vogel. Mijn arme, dode vogel. Hij lijkt al een tijdje tot weinig in staat, laat staan dat het hem gaat lukken om tot stof weder te keren terwijl er een enorme lap synthetisch materiaal tussen hem en Moeder Aarde ligt. Vloekend loop ik naar binnen en open mijn to do-lijst. Operatie Dode Vogel duurt voort, zoveel is duidelijk, en morgen is de dag.
Morgen ruim ik mijn vogel op.


Vrijdag 29 Juli 2016 op 07:56  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Dageraad

Ik ben vroeg wakker op de eerste ochtend in mijn nieuwe huis. Het is een studio, waardoor mijn hond op een kleedje naast mijn bed moet slapen, in plaats van in een aparte ruimte. Tegen zeven uur besluit hij dat mijn mensenmand er veel lekkerder uitziet dan zijn eigen slaapplek. Stiekem komt hij steeds een stukje dichterbij, net zolang totdat zijn snuit mijn neus aanraakt. Ik ruik de tonijn waarop ik hem gisteravond getrakteerd heb; een soort brute tegenhanger van de Philips Wake-Up Light. Mijn hond geeuwt, rekt zich eens flink uit en begint te kwispelen. De dag is begonnen.
“Ha Yuk,” gaap ik. “Goedemorgen.”
Het is idyllisch wakker worden, maar de verhuisdozen die overal in de kamer staan, verraden dat er een veldslag aan de vrede vooraf is gegaan. Het zijn precies de dozen die ik drie jaar geleden inpakte om voor het eerst te gaan samenwonen. Verdomd goede kwaliteit; ik kon ze zo opnieuw gebruiken om weer terug te verhuizen naar een woning voor mij alleen. Tussen de kartonnen chaos scharrel ik een joggingbroek, een vest en een paar gympies op. Er is hier niemand om koffie mee te drinken. Ik denk aan de afgelopen weken, de storm en de stress, en voel me onmiddellijk rusteloos. Het fijne aan een hond is dan dat er altijd een legitieme reden is om naar buiten te gaan en je overvolle kop in de wind te rammen. Vandaag ga ik zo snel mogelijk.
"Kom sukkel," zeg ik terwijl ik me aankleed. "We gaan op avontuur."
Het park nabij mijn nieuwe huis is groter en mooier dan al het groen in mijn oude wijk bij elkaar. Er liggen schepen met daarop seniorenkoppels en puzzelboekjes. Achter de bomen zie ik een waterig zonnetje tevoorschijn komen. Misschien wordt het nog wel wat: deze dag, mijn nieuwe leven, de aftermath van de ravage die ik eigenhandig gecreëerd heb.
"GOEEEEIEMORGEN!" hoor ik ietsje verderop. Daarna: "Jij wandelt ook overal, hè!"
Met grote stappen komt een van de zwervers uit mijn oude buurt me tegemoet lopen. De steen op mijn maag voelt onmiddellijk iets minder zwaar. Ik ben nog steeds in dezelfde stad en er zijn – ondanks alles – nog heel veel dingen onveranderd gebleven. De zon? Hetzelfde. De straten? Hetzelfde. Alle muziek van Kane? Hetzelfde. Ik als persoon? In de kern hetzelfde. De man bukt om mijn hond te aaien. Ik hoor zijn knieën knakken. “Ja-haaa, jij kent mij wel!” zegt hij. “Jij kent mij wel, hè!” Hij krijgt een flinke lebber in zijn gezicht, maar het lijkt hem niets te deren.
"Ik ben verhuisd," mompel ik. "Vandaar."
“Ik heb óók een andere slaapplek,” zegt de man.
Soms vraag ik me af of de zwervers denken dat ik een van hen ben. Misschien moet ik toch eens mijn haar kammen alvorens op pad te gaan. Afwezig staar ik naar mijn hond en naar het water. Dan pas bedenk ik me dat het - hoe het ook zij - wel aardig is om iets terug te zeggen.
"Toevallig, zeg. Bevalt het?"
"Nee, nee. Kan niet slapen, joh. Slaap slecht."
"Altijd wennen. Nieuwe geluiden, nieuwe omgeving. Ik heb daar ook last va-"
"En wij maar denken dat wij de stad goed kennen!" valt de man me in de rede. Hij knikt naar mijn hond, die al minutenlang een heel bijzonder grassprietje besnuffelt. "Maar die honden, hè. Kijk dan! Die kennen elke hoek, elke spriet, elke straattegel. Is zo. IS ZO!"
"Weet ik," zeg ik.
Zonder afscheid te nemen loopt de man weer de andere kant op, terug naar waar hij vandaan kwam. Nog even draait hij zich om. Hij spreidt zijn armen en roept: "Maar ik vind kippen het leukst!" Op de valreep en voor alle duidelijkheid. Daar is iedereen natuurlijk het meeste bij gebaat.
"Helder!" lach ik.
Pas als mijn hoofd leeg is en mijn benen tintelen, keer ik terug naar mijn nieuwe huis. Daar zet ik het Meest Bemoedigende Liedje Ooit op en denk ik terug aan tien jaar eerder. Toen ging ik voor het eerst op mezelf wonen, nog maar net achttien en direct honderd kilometer van huis. Ik weet nog goed hoe ik me voelde nadat ik mijn ouders weg zag rijden: paniekerig, verloren en alleen. Precies tien jaar en vijf verhuizingen later ben ik rustig. Ik weet best dat ik dit kan. Knopen doorhakken, eerst aarzelend, vroeger of later geluk vinden, onbedaarlijk lachen, rust & orde, soms opeens toch struikelen, als versteend blijven liggen, de consequenties, o de consequenties, kwijtraken, opkrabbelen, terugkijken zonder wrok of spijt, wéér vergeten foto's te maken, tevreden zijn met alleen herinneringen, ondanks mijn angstige gestel toch zo nu en dan een sprongetje wagen.
Ik haal diep adem en open de eerste verhuisdoos. Bovenop liggen mijn propellerpet en een fucking uitklapbaar vorkje om mijn eigen rug mee te krabben. Alles komt goed, zoveel is duidelijk. Ondertussen vlijt mijn hond zich uitgeput neer tegen de achterkant van mijn enige stoel. Hij smakt een paar keer en draait zich met een zucht op zijn zij. Helemaal ontspannen en op zijn plek. Nu al.
Zachtjes kriebel ik hem over zijn kop.
"Lekker sliepe. De storm is nu voorbij."


Donderdag 16 Juni 2016 op 17:56  |   Eén reactie  |  
  |    |