Slip

Tijdens mijn vroege ochtendronde met de hond zag ik vandaag een vrouw in alleen haar onderbroek in de woonkamer staan. De gordijnen waren open en er scheen een zacht licht uit een andere kamer achterin het pand. De vrouw keek een beetje gedesillusioneerd, alsof ze pas net wakker was en even snel iets uit de woonkamer moest pakken – wellicht een paar sokken, zo stel ik me voor, dat ze die avond ervoor te drogen had gelegd op de verwarming.
“Er is vast nog niemand op straat,” moet ze gedacht hebben.
Dat dacht ik namelijk óók toen ik besloot mijn jas over mijn pyjama aan te trekken en in het donker alvast een rondje te lopen. Precies voor het raam van de naakte vrouw stond ik even ongegeneerd te gapen, bepaald niet charmant en volledig in gedachten verzonken.
Tot ik haar zag.
Kort kruisten onze blikken elkaar. Zij in een grote slip, ik in de lelijkste broek ooit en met ontploft haar. Het is op een gekke manier intiem om opeens in het ochtendritueel van iemand anders te vallen. De uitdrukking van de vrouw hield het midden tussen ongemak en vermaak. Zelf voelde ik me lichtelijk betrapt, maar ook geamuseerd. Ik vermoed dat we allebei grinnikend zijn overgegaan tot de orde van de dag.
Pas later realiseerde ik me dat we juist op dit soort onbewaakte momenten eigenlijk het meest op elkaar lijken – wij, de Mensen. Of je nou de koning bent of Flappie Flapstra, uiteindelijk beginnen we de dag allemaal zo’n beetje op dezelfde manier: met de slaap in de ogen, in onze onderbroek, al dan niet zoekend naar een schoon paar sokken. Stel je voor dat we voortaan al onze oorlogen en veldslagen zouden moeten beslechten in onderbroeken en pyjama’s! Het zou desastreus pacifistisch (©) verlopen. Wanneer je je eigen onhandige menselijkheid in een ander herkent, is het veel moeilijker om diegene pijn te doen.
Het enige probleem is dat we doorgaans niet zo graag in onze onderbroek staan. Liever kleden we onze kwetsbaarheid aan met maatpakken, wapens, uniformen en meer alledaags: eindeloos veel stoere woorden. Het voelt veiliger om ongenaakbaar te zijn, maar dat is eigenlijk heel gek. Het woord ‘ongenaakbaar’ heeft namelijk niet voor niets twee betekenissen. Het betekent dat je onverslaanbaar bent, sterker dan anderen, maar ook: afstandelijk, onbereikbaar. Ik kan me voorstellen dat het vrij eenzaam is om altijd maar ongenaakbaar te zijn. Ongenaakbaar zijn gaat moeilijk samen met je verbonden voelen.
In de groepstherapie die ik momenteel volg, voelt het met enige regelmaat alsof ik in mijn onderbroek op een podium sta. Praten over dingen die moeilijk, mislukt of simpelweg minder fraai zijn – het is oncomfortabel. Totdat je ontdekt dat iederéén er een beetje knullig uitziet in alleen een onderbroek. Wanneer je je allemaal kwetsbaar toont, schept dat gelijke grond. Dan pas stuit je op overeenkomsten die veelzeggender zijn dan dat je allebei van hobby’s houdt. Een voorwaarde is natuurlijk dat er eentje de eerste steen werpt en de Wapens Der Ongenaakbaarheid achterwege laat. In het echte leven blijkt dat nog best lastig.
Enfin, het is dus weer donker bij het opstaan en stiekem vind ik dat wel prettig. Vaak ligt mijn hond nog een tijdje in zijn mand te dutten terwijl ik koffie drink. Hij komt zijn nest pas uit wanneer ik de regenlaarzen aantrek en zeg dat we gaan. Eerdere jaren voelde ik me wel eens alleen, zo vroeg en in het donker, maar dat is eigenlijk klinkklare onzin. Achter al die opgetrokken muren, deuren en ramen wonen immers mensen die in de regel helemaal niet zo anders zijn.


Donderdag 05 Oktober 2017 op 18:40  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Weidum

We zitten op een dikke boomstam op het hondenlosloopveld, de oude dame en ik. Een hoogbejaarde op een boomstam is best een gek gezicht. Haar benen komen net niet bij de grond en bungelen een beetje onhandig boven het gras. Daardoor oogt ze zowel oud en fragiel als piepjong. Tachtig en zes, gewoon tegelijk.
“Dit is mijn zevende hond van dit ras,” zegt ze. “Hij was altijd heel bang, Bobbie.”
Bobbie scharrelt inderdaad wat schuchter op het veldje rond. Zo nu en dan kijkt hij naar zijn baasje voor bevestiging, de uitpuilende ogen in standje panisch. Mijn eigen hond ligt verdekt opgesteld in een zelfgegraven kuil. Er zit modder op zijn kop. Hij lijkt domweg gelukkig.
“Wat een harde wind, hè,” zegt de vrouw. “Echt rukwinden.”
Gelijktijdig proberen we onze haren in het gareel te krijgen. 
IJdelheid kent geen leeftijd.
“Nou!” beaam ik. “En ik zou nog wel op de racefiets naar Weidum vanmiddag.”
“O ja? Mijn zoon had vroeger ook een racefiets,” kirt ze opgewekt. Direct daarna: “Die is een keer geschept door een auto. Helemaal in de kreukels.”
“Jeetje...” begin ik voorzichtig. “Ehm. Is het goed afgelo-”
“Nou ja, die fiets dan, hè. Mijn kleindochter is ook wel eens omver gereden.” Ze strekt haar benen en kijkt naar haar voeten, alsof het allemaal niets is. “Gelukkig ook met een sisser afgelopen. Zelf ben ik drie keer met de fiets gevallen. Ach ja, nu zit ik hier.”
Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen op zoveel rampspoed. Gelukkig komt Bobbie op mij afgelopen om het ongemak weg te nemen. Hij zet zijn voorpootjes op mijn bovenbeen en probeert me liefkozend in mijn gezicht te likken. Ondanks alle affectie voel ik me een beetje ongelukkig. Misschien moet ik ook niet onnodig allerlei risico's nemen in het leven, zoals fietsen. In godsnaam, gaat er een bus naar Weidum? Bobbies kroezige oren wapperen woest heen en weer door de wind. Het bevestigt al mijn zorgen.
“Bobbie lijkt nu niet bang,” zeg ik. “Volgens mij vindt hij het wel gezellig.”
“Ach ja, we blijven gewoon dingen ondernemen. Het gaat steeds beter.”
Soepeltjes glijdt de dame van de boomstam. Ze is weer zes.
“Ga je mee, Bobbie?” zegt ze.
Opgetogen waggelt Bobbie op zijn baasje af. De dame pakt zijn halsband vast en klungelt wat met de hondenriem. Haar handen trillen en het duurt lang. Ze is weer tachtig: ongelooflijk hoe snel een mensenleven kan gaan. Net wanneer ik wil aanbieden om te helpen, hoor ik het haakje klikken.
“Als je oud bent gaan al die dingen niet zo gemakkelijk meer,” zucht ze. “Afijn, ik wens u een prettige fietstocht naar Weidum.”
Een mevrouw van tachtig die mij met 'u' aanspreekt – onmiddellijk voel ik me zelf ook hoogbejaard. Mocht ik daadwerkelijk omwaaien met de fiets, dan breek ik vast een heup. Aan de andere kant: de vrouw raadt me de fietstocht kennelijk niet af. Na haar zelf opgeworpen episode van FIETSONGELUKKEN REVISITED zou je zeggen dat ze weet waar ze het over heeft.
“Dank u,” zeg ik. “Ik zal er vast wel komen.”
Eenmaal thuis zoek ik vloekend de tijden van de bus op. Uiteraard gaat er geen echte bus naar Weidum, maar alleen een soort belbus die je uren van tevoren moet reserveren. Aint nobody got time for that. Een beetje bang stap ik daarom toch maar op mijn pas aangeschafte racefiets. Ik trap me het apelazerus. Eerst zijn er nog andere fietsers en voetgangers, daarna alleen nog een enkele auto of tractor. 
Tien kilometer buiten de stad ben ik zo verwaaid en zweterig dat er geen ruimte meer is voor kopzorgen. De Friese weilanden zijn mooi bij grijs kutweer. Een paar domme paarden rennen een stukje met me mee, de sukkels. Dan bedenk ik me: het duurt maar zeven honden – in mensenjaren – voordat je hoogbejaard bent en noodgedwongen overal naartoe moet in taxibusjes voor senioren. Nu ik nog moeiteloos kan fietsen en vallen, moet ik de risico's maar op de koop toe nemen. Ik ga steeds sneller. Een auto toetert bemoedigend, er is een spat regen. Sommige bochten neem ik iets te scherp, maar ik blijf overeind.
In Weidum is er helemaal niets aan de hand.


Dinsdag 08 Augustus 2017 op 22:18  |   Eén reactie  |  
  |    |  

No filter

Het is muisstil in de psychologenpraktijk. Niet in de laatste plaats komt dat door de zachte, intens lelijke vloerbedekking die door het hele pand gedrapeerd is. Op zo'n ondergrond is iedereen lichtvoetig en hoor je niemand aankomen – het perfecte recept om je meermaal daags helemaal de tering te schrikken, lijkt me. Die arme psychologen zouden dit probleem gemakkelijk kunnen oplossen door voortaan uitsluitend ritselende trainingspakken te dragen, maar net wanneer ik de trainingspakkentip ('zie het als bedrijfskleding') wil delen, begint een van de vrouwen tegenover me opeens weer te praten. 
“Doe je aan sport?” vraagt ze.
“Alleen matig intensieve beweging,” zeg ik.
“... Hoé zeg je dat?”
“Matig intensieve beweging. Lopen, fietsen. Gewoon bewegen? Zolang het maar niet georganiseerd, in groepsverband of competitief is.”
Geamuseerd kijkt de wat jongere psychologe op van haar notitieblok.
Voor het eerst die dag heb ik het gevoel dat ik kan ademhalen.
Ik moet denken aan de dagelijkse triatlon naar mijn werk.
Sinds ik een kantoorbaan net buiten de stad heb, zien mijn ochtenden er ongeveer zo uit: wandelen met de hond, hond inruilen voor de fiets, zo snel mogelijk het centrum uit, lekker toeren door het buitengebied, met de fiets in de nek door een spoortunnel en ruim acht kilometer later neerploffen achter mijn bureau. Ik heb geen Dopper en ook geen hoge knot, maar ik maak wel af en toe een foto voor op Instagram. Op die momenten voel ik mij relatief jong en best urbaan. Zo kwam ik laatst een paar grazende schapen tegen die ik plichtmatig op de gevoelige plaat heb vastgelegd: dieren doen het altijd goed op sociale media. Het was geen bijzonder mooie dag, maar gelukkig heeft Instagram heel veel filters die je foto zonniger doen lijken dan eigenlijk het geval is. In Nederland geen overbodige luxe. De schapen gingen tropisch online.
Wat je uiteindelijk niét op de foto zag: de bouwput vlakbij de schapen, de donkere lucht boven mijn hoofd en het feit dat ik die ochtend voor de honderdtwintigste dag op rij wakker werd met frisse tegenzin en een beste steen op mijn maag. Ook heb ik in de beschrijving verzuimd te melden dat ik mijn ontbijt zonder enige aanleiding met hartkloppingen on the side nuttigde en daar soms wel om moet huilen. Die schapen waren, kortom, daadwerkelijk het hoogtepunt van mijn dag.
Een gefilterde versie van je leven laten zien aan De Ander: het is in principe niets nieuws onder de zon. In iedere interactie maak je onvermijdelijk keuzes. Het ene detail laat je weg, het andere aspect leg je juist onder een vergrootglas. Dat deed men vroeger in een telefoongesprek of brief ook al. Vandaag de dag is het op sociale media niet anders. Het enige verschil is dat we nu veel meer informatie over veel meer levens meekrijgen dan vroeger. Fan-tas-tisch leuke levens. Daardoor is onze notie van wat een mensenleven zou moeten zijn wellicht toch een beetje geworden zoals de Instagram-filters zelf: faaakking zonnig en niet reëel.
Om de boel wat in balans te brengen: met mij gaat het dus helemaal niet altijd zo goed. Mijn angstige, alles overanalyserende inborst veroorzaakt al een tijdje allerlei klachten die duiden op een depressie. Dat is niet leuk, maar dat wil niet zeggen dat je er geen grappen over mag maken. Gelukkig lijkt de discreet grinnikende (het kan!) psychologe tegenover mij dat ook te begrijpen.
“Ik vind het een heel mooie term,” zegt ze. “Matig Intensieve Beweging, ha!”
“Meestal kom ik heel erg bezweet aan en sta ik de eerste vijf minuten van de werkdag te drogen bij de ventilator,” doe ik er nog een schepje bovenop. “Mijn collega vroeg laatst of ik op de fiets ook een luchtbuks op mijn rug heb om onderweg wat meeuwen mee dood te schieten. Hahaha.”
Na het beantwoorden van nog eens tienduizend irritant confronterende vragen waarop ik lang niet altijd een grap kan verzinnen, krijg ik een week later twee folders voorgeschoteld: “Cognitieve Gedragstherapie” en “Assertiviteitstraining.” De psychologe moet opeens naar het toilet, zodat ik toevallig de folders rustig kan doorlezen. Tot mijn schrik ontdek ik dat beide trainingen in groepsverband plaatsvinden.
“Wat zeg je ervan?” vraagt de vrouw. Natuurlijk heb ik haar niet horen binnenkomen door die verdomde vloerbedekking. Het zweet breekt me uit.
“Dit is mijn ergste nachtmerrie,” antwoord ik.
Uit beleefdheid voeg ik een bescheten glimlach aan mijn opmerking toe, maar de angst prevaleert. De professional tegenover me lijkt het allemaal niets te deren. Mijn tegenzin mag er zijn, maar onder die training kom ik niet meer uit, zoveel is duidelijk.
“Loop je mee?” zegt ze. “Dan schrijven we je direct in.”
Eenmaal buiten voel ik me een beetje gek. Het gebouw waar ik de komende tijd naartoe moet is best wel lelijk en de situatie an sich ook. Geen filter kan daar wat aan veranderen, maar het zij zo. Soms zijn de filters gewoon even op, net als bij de koffie. Op die momenten is het vast zinvol de kale realiteit eens goed te bekijken en erin te porren tot het pijn doet. In de tussentijd stel ik me voor dat alle ongelukkige cursisten in trainingspak en op sloffen bij de training zullen verschijnen en mag ik daar graag een beetje om grinniken.


Zaterdag 15 Juli 2017 op 00:13  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Dingen die voorbijgaan

Vroeger – of nou ja, tot een jaar of twee geleden – kwam ik met enige regelmaat in het donkerbruinste café van de stad. Zo'n café dat een beetje eng is om voor het eerst te betreden, maar waar ze wel na een enkel bezoekje direct je naam weten en je een volgende keer persoonlijk begroeten. De perfecte plek om een schrijfavond te organiseren, vond ik. Het was er vaak rustig, er was geen WiFi en het gehele interieur zag eruit alsof de tijd er al tien jaar stilstond. Het café pretendeerde niet retro of vintage te zijn. Sterker nog: het café pretendeerde helemaal niets. Prettig, me dunkt.
Ik herinner me dat de uitbater matig enthousiast leek toen ik hem het plan voor de schrijfbijeenkomst voorlegde. Misschien kwam dat doordat ik voorafgaand aan de eerste editie om de haverklap moeilijke vragen kwam stellen. Bijvoorbeeld:
“Kunnen de mensen ook koffie krijgen? Eventueel.”
Achter de bar stond een stoffig apparaat waar mogelijk koffie uit zou kunnen komen. We keken ernaar en zwegen. Op het display brandden precies nul lampjes.
“O,” zei de uitbater. “Nee. Die is kapot.”
Soms is iets kapot en moet je dat gewoon accepteren.
De uitbater leek daar vrij goed in te zijn.
Zo kon het gebeuren dat ik de eerste schrijfavond mijn eigen koffiezetapparaat meenam naar het café, samen met een blik filterkoffie en een pakje B-merk koffiemelk. De uitbater stalde het apparaat en toebehoren zorgvuldig uit achter de bar. Starbucks was er niets bij.
Helaas gingen de mensen die avond massaal voor thee. Een tijdrovende klus: ik zag de uitbater glazen water in de magnetron zetten, één voor één, om ze daarna zorgvuldig samen met twee overjarige suikerklontjes en een zakje thee op een schoteltje te plaatsen. Die suikerklontjes kwamen natuurlijk allemaal weer terug bij het afruimen. Mensen van nu gebruiken geen suiker. Of, zoals de uitbater concludeerde: “Die suiker kan ik voortaan ook wel laten zitten.” De zaken gingen al een tijdje niet zo goed; iedere kostenbesparing was welkom.
Na een aantal edities van de schrijfclub raakte de uitbater meer op zijn gemak. Hij begon te praten, vooral tijdens het uurtje schrijven in stilte. Was hij niet aan het vertellen – opvallend opgewekt of juist heel boos – dan was hij wel heel hard aan het hoesten in het toilet. Bij ieder ander zou dat storend zijn geweest, maar de uitbater kwam ermee weg, puur op charisma. Bovendien zaten we welbeschouwd in zijn huiskamer.
De tijd denderde voort. Het verraderlijke van tijd is dat het ook voorbijgaat wanneer er helemaal niets gebeurt. Je kunt besluiten je koffiezetapparaat niet te laten repareren en de vergankelijkheid zo goed mogelijk te negeren, maar zo'n ding gaat gewoon dóór met stof verzamelen, ook al is het heel geleidelijk. Gelukkig hebben we het meestal niet door, maar op een gegeven moment haalt de tijd alles en iedereen in.
Iedere maand hoestte de uitbater vaker en harder.
Vlak voor de zoveelste editie van de schrijfclub kreeg ik een telefoontje van zijn enige werknemer. De uitbater lag in het ziekenhuis en het was onduidelijk hoe het nu verder moest met de zaak. Ik kreeg zijn kamernummer en beloofde een kaart te sturen. Op de envelop noteerde ik de voornaam van de uitbater aangevuld met – bij gebrek aan een achternaam – de naam van het café. De envelop zag eruit alsof 'ie bestemd was voor een stripfiguur uit de jaren '70 en of het schrijven ooit is aangekomen weet ik niet. In elk geval werd het café na verloop van tijd verkocht, verbouwd en heropend.
Het glimt nu wat meer en vermoedelijk is er ook koffie.
Zo zijn er constant dingen die voorbijgaan en dingen die beginnen. En als je het zo bekijkt is ieder leven – in the grand scheme of things – maar een minuscule schakel in een oneindige cyclus van beginnetjes en eindes. Een beetje zoals een treinstation altijd zowel een vertrekpunt als een eindbestemming is: sommige mensen stappen in, andere mensen stappen uit. Die gedachte is soms geruststellend en vaker heel erg beangstigend. Uiteindelijk zijn we ergens in het midden van de rit toch allemaal op zoek naar zingeving en validatie.
Lange tijd vroeg ik me af hoe het met de uitbater ging. Totdat ik hem kortgeleden opeens zag lopen, tergend langzaam en nog heel veel grijzer dan voorheen. Hij liep in de richting van een woonzorgcentrum in de buurt en leek al zijn concentratie nodig te hebben voor de wandeling, de blik strak gericht op de stoeptegels onder zijn voeten. De uitbater zag mij niet. Ik heb dat zo gelaten, maar eigenlijk had ik hem moeten zeggen dat de moeite niet voor niets is geweest; dat het niet ongezien voorbij is gegaan.


Zondag 21 Mei 2017 op 12:12  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Zand

“Ik heb zo weinig herinneringen aan mijn tijd hier. Gek, toch?”
Samen met mijn broer loop ik het stadspark van Kampen uit en wijs naar mijn vroegere middelbare school. Het is mooi weer en mijn hond snuffelt druk aan de grond waarop ik opgegroeid ben. Ik eigenlijk ook; in roerige tijden vind ik het altijd fijn even terug te keren naar het Overijsselse. Een korte touch base, terug naar waar het achtentwintig jaar geleden allemaal begon.
“Ze zitten nog wel ergens,” zegt mijn broer. “Die herinneringen. Ze duiken waarschijnlijk pas op als je er helemaal niet meer op zit te wachten.” Een boosaardige lach, hij is daar goed in.
Eenmaal bij zijn huis drinken we water. De broer, de hond en ik. We zijn allemaal een beetje moe, van de wandeling en van de dingen. Niet veel later ga ik rechtsomkeert. Dezelfde route: door het park, de historische binnenstad en als grand finale natuurlijk over de stadsbrug.
Ik was elf toen Kampen een nieuwe stadsbrug kreeg. Een brug van 35 miljoen gulden met daar bovenop vier glimmende, gouden hefwielen. Gouden wielen passen niet goed bij de calvinistische volksaard, natuurlijk, maar zeventien jaar na dato lijken de inwoners er toch ook de voordelen van in te zien. “Ach, je hebt er geen werk meer van,” zei mijn vader de laatste keer dat we in het donker voorbij het stadsaangezicht reden. “Verf was allang afgebladderd. Bladgoud blijft tenminste zitten.”
Het ding met bruggen is: ze kunnen nog zo mooi zijn, maar over het algemeen wil iedereen gewoon zo snel mogelijk naar de overkant. Daar is het kennelijk altijd beter. Ik doe er zelf gezellig aan mee. Met flinke passen loop ik over de onstuimige IJssel, maar in mijn hoofd ben ik alweer in het Noorden. De werkweek staat voor de deur, er is veel te doen. Dan word ik opgeschrikt door rinkelende alarmbellen. De slagbomen gaan naar beneden en in de verte zie ik een vrachtschip om het hoekje komen. Tergend langzaam sukkelt het gevaarte door het water. Dit gaat even duren, zoveel is duidelijk. De andere mensen zien het ook. Eerst is er gezucht en gesteun, daarna het Grote Accepteren. De auto's gaan in neutraal en de brommers op de standaard.
Gedwongen onthaasten, de ontwerpers van de stadsbrug waren er al op bedacht: aan beide kanten van het wegdek zijn uitkijkposten geplaatst waarop je als voetganger van het vaargeweld en het zwevende wegdek kunt genieten. Ik ga op het bankje zitten en kijk naar mijn hond die naar het water kijkt.
Dan komt het een beetje terug: die keren dat ik en mijn vriendinnen op precies deze uitkijkpost gekscherend Jack & Rose op de kop van de Titanic nadeden. Het strafbriefje dat je moest halen wanneer je te laat op school kwam, ook wanneer de brug echt lang open had gestaan. Die keer dat het hefgedeelte urenlang niet meer naar beneden wilde en iedereen kilometers om moest fietsen. Dat de brugwachter eens een auto over het hoofd zag en deze met wegdek en al omhoog (en weer omlaag) takelde. Prachtig in al z'n klunzigheid, het gevecht tegen het water twee-punt-nul.
Het water onder het uitkijkplateau klotst en schuimt. Mijn hond drukt zijn kop tegen de spijlen van het hek om niets te missen, maar het schip is nog altijd niet nabij.
Aan de andere kant van het water rijdt wel de Kamper boemel het station binnen. Hoe vaak ik daar in mijn examenjaar niet heb staan wachten totdat mijn eerste vriendje weer met de trein uit zijn studiestad zou komen. Hoe vaak mijn moeder me daar niet uitgezwaaid heeft toen ik zelf een andere woonplaats had om naartoe te gaan. Dat de weekendtas vol wasgoed plaatsmaakte voor meer volwassen bagage zoals een hond en incidentele bloemen, maar dat ik nog steeds bakjes eten meekrijg iedere keer dat ik weer vertrek.
Sommige dingen veranderen gelukkig nooit.
“Kijk Yuk,” zeg ik.
Ronkend glijdt het vrachtschip dan eindelijk onder de stadsbrug door.
Het bovendek is volgeladen met zand.
Resumerend: de stad ligt stil omdat er een heleboel zand van de ene plek naar de andere plek verplaatst moet worden. Een gekke gedachte, maar eigenlijk ook weer niet. Zijn we niet allemaal shit heen en weer aan het verplaatsen in de hoop dat alles ooit eens precies op z'n plek ligt? Het voelt alsof het leven klopt? We willen het allemaal – zonder slagbomen, alarmbellen en zonder een wegdek dat eens in de zoveel tijd onder je voeten verdwijnt. Maar zo werkt de wereld niet. Je moet geduld hebben. (En er rekening mee houden dat zand onvermijdelijk weer gaat schuiven zodra er een korreltje niet meer op zijn plek ligt. Ssst.)
De gouden wielen beginnen te draaien en het wegdek komt weer naar beneden. Naadloos sluit het middenstuk op de andere delen aan, alsof er nooit iets gebeurd is. Motors ronken, scholieren joelen en het verkeer komt in beweging, maar ik blijf nog even zitten. Geen haast. Zand reorganiseren kan nog lang genoeg; voor nu is dit precies de plek waar ik moet zijn.


Vrijdag 07 April 2017 op 17:10  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Strike

“We komen voor het kegelen.”
De man achter de bar van het café trekt geamuseerd een wenkbrauw op. Het is zaterdagavond en samen met mijn beste vriendin heb ik het onwaarschijnlijke plan opgevat om naar de open avond van de lokale kegelclub te gaan. Onze vriendschap is in principe gefundeerd op een gedeelde passie voor eten gecombineerd met een intense haat voor sportieve activiteiten, maar dingen omver gooien kunnen we allebei vrij goed en tijdens het kegelen kun je ook een biertje drinken. Als we dan toch iets actiefs gingen doen, dan dit.
“Ja – ehm – we willen graag weten hoe dat gaat,” stamel ik. “Kegelen.”
De barman wenkt naar iemand aan de andere kant van de zaal. Naast ons verschijnt een verbaasde, maar vriendelijke pensionado die kennelijk de nobele taak heeft gekregen de nieuwe kegelaars te begeleiden.
“Deze dames willen kegelen,” herhaalt de barman.
“O,” mompelt de man. “O, nou, kom maar mee, dan.”
In colonne volgen we de grijze man. Het is een prachtig historisch pand dat iedereen eens zou moeten bekijken, maar toch zijn we de enige deelnemers op deze feestelijke open avond. Helemaal achterin het gebouw zit de kegelbaan. Geen poespas, geen sfeerverlichting, doodse stilte. Wel veel hout en weeïg groen. Het bedieningspaneel vol ouderwetse knopjes en hendeltjes licht op en de baan begint te knerpen en te ratelen, een bijzonder bevredigend geluid. Dan valt mijn oog op een soort smoezelige, bruine spons die een prominente plaats inneemt in het geheel. Het ding is doordrenkt met water en – zo gok ik – salmonella.
“Waarvoor is dat?” fluister ik.
“Dit ding?”
Kordaat stopt de man zijn duim in de historische spons en begint eens goed te soppen. “Nou – sop – zodat je vinger – sop – glad is en – sop – je de bal gemakkelijker kunt werpen – sop sop – ”
Na het soppen pakt hij een bal uit het reservaat en positioneert 'm op de baan. De eerste bal belandt in de goot, met de tweede werpt hij een kegel of vier omver. Ondertussen is zijn ademhaling zo pieperig dat ik bang ben dat hij erbij neer zal vallen. Hij mompelt dat hij vandaag al zestig ballen heeft gegooid en zijgt dan neer aan een tafel bij de prijzenkast. De man wil leven, thank God, maar mijn opluchting maakt toch onmiddellijk plaats voor hernieuwde angst. Hoeveel worpen omvat zo'n potje kegelen in godsnaam?!
“Nu jullie. Rechts begint.”
Aarzelend stap ik de baan op en til een willekeurige bal uit het rek.
Helemaal fout, blijkt.
De pensionado veert met hernieuwde kracht op en pakt mijn pols stevig vast. Even ben ik bang dat hij mijn hand in de historische spons zal drukken, maar godzijdank: hij probeert enkel mijn vingers in een zeer onnatuurlijke positie op de kegelbal te positioneren. Dan mag ik gooien. Ik neem een horkerig aanloopje en laat de bal met een doffe klap op de baan vallen.
“Die gaat eraf,” zucht onze begeleider.
In doodse stilte kijken we toe hoe de bal – inderdaad – in de goot belandt. Pas na een paar worpen krijg ik de smaak een beetje te pakken. Mijn vriendin, daarentegen, blijkt een natuurtalent. Binnen de kortste keren gooit ze een strike. En dan nog één. Vreemd genoeg lijkt onze docent wat moeite te hebben met dit plotselinge succes. Vanaf de tafel achterin de zaal voorziet hij onze deathmatch live van commentaar.
“Dit kan helemaal niet. De bal door het midden! En dan toch alle kegels om?! Mijn oren klapperen... On-waar-schijn-lijk! Hier klopt hélemaal niks van!”
“We tarten alle natuurkundige principes!” joel ik.
“Normaal ben ik heel slecht in bowlen!” juicht mijn vriendin.
De baan kermt.
“Kegelen...” kuch ik.
In een kegelzaal die al zo lang meegaat is het vast een doodzonde om kegelen met bowlen te verwarren, zeker na zoveel overmoed en wanstaltige worpen – technisch gezien, dan. Vanaf dat moment gaat het bergafwaarts met onze prestaties. Tot grote opluchting van de pensionado. Om de haverklap horen we hem vanaf zijn tafeltje genoegzaam mompelen: “Die gaat eraf. Kijk, daar gaat 'ie al."
“Vindt u het gezellig?” vraagt mijn vriendin.
“De kegelclub?” De man lacht. “Ach ja – iedereen gaat dood, hè. Allemaal ouwelui.”
Na een worp of dertig houden we het voor gezien. De pensionado bergt de kegelballen op en lijkt opeens best wel in zijn sas. Met een bal door het midden van de baan gooi je géén strike en uiteindelijk gaat iedereen dood. Het moet geruststellend zijn om tenminste die twee dingen in het leven zeker te weten. De baan stopt met ratelen en de lichtjes op het bedieningspaneel doven. Alles is weer gewoon zoals het hoort.


Zaterdag 04 Maart 2017 op 13:24  |   Geen reacties  |  
  |    |  

Jeuk

Eind december begint het te jeuken. Eerst mijn schenen en kuiten, dan mijn bovenbenen. Half januari moeten ook mijn armen en zelfs mijn buik eraan geloven. Een combinatie van gebrek aan zonlicht, droge lucht in huis door het stoken en een hartgrondige afkeer van vette bodylotions zorgt ervoor dat ik het nieuwe jaar altijd op dezelfde manier begin: bleek, droog en krabbend. Tegelijk met de fysieke aftakeling begint Koning Winter in diezelfde periode vaak ook mentaal zijn tol te eisen.
Dat laatste schijnt vrij normaal te zijn. In Nederland lijden veel mensen aan een winterdip, waarschijnlijk door een gebrek aan zonlicht en bijbehorend tekort aan vitamine D. We hebben moeite om de moed erin te houden zodra de dagen korter worden en het daglicht schaars. In het voorjaar en de zomer voelt alles simpelweg net wat lichter en draaglijker aan: tegenslagen, verplichtingen, het spek op je heupen, de kater na een tuinfeestje. Voor niets gaat de zon op en dat maakt een hoop goed. De zwerver op het bankje zou in de zomer gewoon een man kunnen zijn die een biertje drinkt in de zon. In de winter, daarentegen, is hij echt alleen die stramme dakloze die een koude nacht achter de rug heeft. Kijken door de winterdipbril is niet gezellig. Het is als een fotocamera met allesverslindende flits op een te warm feestje. Opeens zie je alleen nog maar pukkels en zweetvlekken in t-shirts en vraag je je af: in godsnaam, waarom kunnen we ons tijdens het kerstdiner niet functioneel volvreten met rollade en speculaas om daarna een lange winterslaap te houden? Pas ontwaken als de dagen lengen en de narcissen weer in het veld staan?
Het is verleidelijk te zwelgen, maar aangezien de meesten van ons geen egels zijn en vrijwel niemand de luxe heeft een paar maanden lang binnen te blijven, zullen we toch op zoek moeten naar andere coping strategies. De mijne is dit jaar: hopeloos op de feiten vooruit lopen, als een hond die een worst wordt voorgehouden. De strategie komt in drie stappen.
1. Maak het probleem inzichtelijk en behapbaar door iedere dag naar de internetpagina zonsopgang.info te surfen. Daar vind je een tabel waarin per dag staat aangegeven wanneer de zon opgaat en ondergaat. Het gaat langzaam, maar je zult zien dat het iedere dag toch echt een paar minuutjes langer licht is. In korte tijd kan er best veel veranderen. Kijk maar naar de vormgeving van de pagina an sich; dat zou geen enkele vormgever nu nog zo aanpakken.
2. Grijp kansen. Op de spaarzame momenten dat er een waterig zonnetje te zien is tijdens de wandelingen met mijn hond, houd ik mijn pony naar achteren, gooi ik mijn hoofd in mijn nek en probeer ik met mijn bleke poriën al het licht te absorberen: “Vitamine D – come at me bro.” Denk aan de film Titanic: wil je sneue Jack & Rose op de kastdeur zijn, of blije Jack en Rose op de kop van het schip? Nou dan.



3. Pas je dieet alvast een beetje aan. Niet langer iedere werkdag stamppot en snert. Richt je blik op de Orient, koop die Desperado's, poets je barbecuetang. Kiés voor de zomer. Zo kookte ik gisteravond kneiterhete spaghetti voor mijn favoriete lotgenoot. Geen semi-winterse kost met peen en bleekselderij – zoals bij de traditionele bolognesesaus – maar nee: een lichte, zomerse tomatensaus met chilivlokken. Bek in de hens, een opkalefater voor de ziel. Ook aan bijpassende consumpties had ik gedacht.
“Hier,” zei ik. “Een lekker biertje.”
Hij tuurde naar het flesje dat ik in zijn hand drukte en fronste.
“... Witbier?”
“In aanloop naar de zomer!!!11”
Stilte.
“Licht en fris, lekker toch?! Toch?!”
De kunst is hoopvol en aanstekelijk te klinken, maar altijd een licht agressieve en dwingende ondertoon te hanteren. Er is geen keuze. Samen slaan we ons door dit koude en donkere seizoen heen, de kop diep in het zand en het lelijke zonsopgang.info als collectieve startpagina. Misschien vallen we vervolgens met z'n allen ten prooi aan spring lethargy of frühjahrsmüdigkeit, dat schijnt ook te bestaan, maar dat is een zorg voor later. De lente laat tenslotte nog best lang op zich wachten (maar dat hebben jullie niet van mij) en voor alle jeuk – mentaal of fysiek – geldt: niet krabben, dat maak het alleen maar erger.


Maandag 30 Januari 2017 op 14:52  |   Eén reactie  |  
  |    |  

IJsselwater

Het is zaterdag en bij hoge uitzondering hebben mijn zus en ik ons zomaar gelijktijdig in het ouderlijk huis verschanst. Allebei hebben we ons kind meegenomen. Mijn nichtje van drie zit roerloos op klandizie te wachten in een heel klein winkeltje van karton (handelswaar: diverse levensmiddelen + enkele steppedieren) en mijn hond graaft in de tuin alle planten uit. Niet voor niets werd de Stabij vroeger gebruikt als mollenvanger op het land. Om de paar minuten zie ik hoe mijn vader met een bezem de schuur uit gesneld komt om het beest vermanend toe te spreken en de tuinaarde terug in de borders te vegen. Mijn hond lacht stompzinnig, de snuit onder de modder. Keer op keer wacht hij keurig tot mijn vader terug is op zijn post, om vervolgens de graafwerken met onverminderd enthousiasme te hervatten.
"Eigenlijk vindt hij het hartstikke leuk, zo'n hond die wat rondscharrelt," beweert mijn moeder. Net zoals mijn vader is ze druk in de weer, maar dan met kopjes koffie en thee en lekkers voor iedereen. "Maar ja, hij wil er niet meer aan. Een hond moet je altijd begraven."
Ik nip van mijn koffie en knik.
Ze heeft een punt. Door het ruitje van de woonkamerdeur zie ik een portret van onze laatste gezinshond, een dom maar lief beest dat wel dertien jaar is geworden. De foto's blijven altijd hangen, gelukkig. Verder lijkt er iedere keer dat ik in het ouderlijk nest ben wel weer iets aan het interieur te zijn veranderd. Mijn ouders zijn uitstekend op de hoogte van de laatste woontrends en een koophuis is nu eenmaal nooit af. Ook niet na vijfentwintig jaar. Niet in de laatste plaats kunnen ze nogal moeilijk stilzitten, die ouwelui van mij.
Mijn nichtje heeft eindelijk de winkel gesloten en zegt dat ze haar slaapkamer bij opa en oma wil laten zien. Omdat we verspreid over het land wonen, zie ik haar niet zo vaak. Daardoor is ze soms een beetje verlegen. Ik eigenlijk ook. "Ik ga even met haar boven kijken," besluit ik.
We kijken elkaar schaapachtig aan.
"Niet schrikken," zegt mijn moeder, zelf duidelijk geschrokken. "Jouw kamer is op 't moment wel echt meer... een rommelhok. We zijn ermee bezig."
"Snap ik wel," verzeker ik haar. "Ik slaap hier toch bijna nooit."
Het zit mijn moeder toch niet lekker, kennelijk. Ze veert op, laat het kopje thee dat ze ein-de-lijk voor zichzelf had ingeschonken voor wat het is en loopt achter ons aan de trap op. Ik hoor beneden woest geveeg op de schoenborstel achter het huis en het openschuiven van een deur. Ook mijn vader zet de achtervolging in, zoveel is duidelijk. Vlak voordat ik de deur van mijn oude zolderkamer open, komt de aap uit de mouw, de bron van alle onrust boven water.
"We hebben je bed verkocht!!" flapt hij eruit. "We dachten, nou ja –"
" – we kwamen nog wel een stripboek tegen dat je als kind zelf getekend hebt. Maar het ligt denk ik beneden. Heel leuk! Ik zal het zo zoeken – ”
"Het geeft echt niet," probeer ik opnieuw. "Ik ben ook al tien jaar uit huis, hè."
Met veel bombarie word ik alsnog zo snel mogelijk naar een verdieping lager gedirigeerd, waar mijn nichtje trots haar eigen logeerkamer laat zien. Na een korte, chaotische tour van de gehele bovenverdieping gaan we in colonne weer naar beneden. Het handwerkje uit mijn jeugd ligt vermoedelijk in 'de nieuwe kast', een hip exemplaar met zo'n 3928 kleine laatjes. Mijn moeder begint linksboven. Kwiek start ze met schuiven: open en dicht, kijken, open en dicht, kijken, “hij zou hier echt moeten liggen...” Alle vakjes gaat ze bij langs. Ondertussen staat mijn vader in de keuken eveneens onophoudelijk lades en kasten open en dicht te doen. De thee is allang koud. Deze mensen zijn onvermoeibaar. Daar kan ik nog een puntje aan zuigen.
"Ga nou alsjeblieft gewoon even zitten," zegt mijn zus.
"Ja," beaam ik. "Dat geschuif."
Ruim twee uur en een avondmaaltijd later is er wat rust in de tent.
We zitten in een kring en converseren.
Bijna zoals een normale familie.
"Waar we nu toch achter zijn gekomen," grinnikt mijn moeder opeens. "Ik zei toch dat we volgend jaar 35 jaar getrouwd zijn? En dat we het dan met z'n allen gaan vieren? En dat iedereen de datum maar eens moest vrijhouden, voor die ene speciale keer?"
"Ja?" fluister ik.
"Nou... nu blijkt dat we allang 35 jaar getrouwd zijn!"
"Vorig jaar!" grinnikt mijn vader. "Hoh hoh hoh."
"Nooit aan gedacht," doet mijn moeder nog een duit in het zakje.
In stilte maken we allemaal dezelfde eenvoudige, maar ongelooflijke rekensom. De datum staat in elk geval vast. Daar is niks meer aan te doen. We kunnen er allemaal bij zijn.
"Zevenendertig jaar is óók bijzonder," mompel ik. "Toch?"
Na de koffie kondig ik mijn vertrek aan. Ik krijg zoveel eten mee dat ik een extra rugtas nodig heb om het te vervoeren: hachee en snert en zuurkool. Mijn moeder heeft het allemaal van tevoren en op grote schaal gekookt, alsof het niets is. Ze loopt ook met kordate passen mee naar het station, alsof het niets is. Ik weet niet wat er in het water zit, daar bij de IJssel. Maar ik denk en hoop dat mijn ouders nog heel lang kwiek en onvermoeibaar door het leven zullen gaan – om op een goede, maar verwarrende dag opeens tot de conclusie te komen dat ze het jaar ervóór al vijftig jaar getrouwd waren.


Maandag 05 December 2016 op 17:22  |   Geen reacties  |  
  |    |