Slenteraar



Modeltreinen Hemel

‘Goedemiddag, bent u geopend?’ Een opgewekte vrouwenstem. Ik schrik op van mijn dagelijkse dutje op de kassa. De subtotaal-knop staat in mijn wang afgedrukt en een sliertje kwijl schuilt in mijn mondhoek. Waarom heb ik de bel van de winkeldeur niet gehoord toen ze binnenkwam? Heb ik überhaupt wel een winkelbel?

Het was mijn pa, een blijmoedige man van de oude stempel, die met ons familiebedrijf begon. Ruim dertig jaar geleden opende hij de deuren van Modeltreinen Hemel, een stampvolle winkel gespecialiseerd in antieke modeltreinen en alle toebehoren. Althans, dat was de bedoeling. Toen eenmaal bleek dat modeltreinen bij lange na niet genoeg opleverden om van te leven, besloot mijn vader ook stofzuigers aan zijn assortiment toe te voegen.

‘De treinen staan nog steeds op nummer 1 – maar we moeten realistisch zijn’, had hij mij bij het avondeten plechtig medegedeeld. ‘De vrouw wil ook wat.’

En wat de vrouw wilde, was stofzuigen, dacht mijn vader. Dus de volgende dag stonden er twee stofzuigers in de etalage van de winkel, onhandig opgesteld tussen de modeltreinen. Logge, immense heuvels van glimmend plastic die het vredige treinlandschap ruw verstoorden. Bovenop een van de apparaten was zorgvuldig een rode strik gedrapeerd. Het was feest. Een nieuw tijdperk brak aan, voor ons en voor de zaak.

Jammer genoeg deden de stofzuigers precies wat stofzuigers horen te doen: stof verzamelen. De rode strik verloor zijn glans en de toestroom van het vrouwvolk bleef uit.

Mijn vader begreep er niets van.

Enkele maanden later zag mijn pa zich genoodzaakt met een nieuw reddingsplan voor zijn winkel op de proppen te komen. Dit keer kwam hij thuis met een frituurpan. Breed grijnzend zette hij de doos op tafel.

‘Weet je wat dit is, mijn jongen?’, vroeg hij. ‘Frituurpan’, antwoordde ik.

‘Nee! Nee – helemaal fout!’, bulderde mijn vader. Hij gebaarde dat ik dichterbij moest komen. Toen ik dat weigerde, besloot hij mijn hoofd vast te pakken en het dicht tegen het zijne aan te drukken. Ik voelde zijn adem in mijn gezicht. Koffie en zware shag. De geur van mijn jeugd.

‘Nee jongen’, fluisterde pa in mijn oor. ‘Dit hier – dit is de Steen der Wijzen.’ Hij keek me met grote, verheugde ogen aan.

Het verband tussen de frituurpan en een magische steen die metaal in goud kan veranderen, ontging mij volledig, maar voor mijn vader was het allemaal zo klaar als een klontje. Hij begon een bevlogen uiteenzetting over de winstmarge op een doos frikandellen. De hele dag had hij zitten rekenen. Zo was hij erachter gekomen dat de inkoopprijs van een gemiddelde frikandel 12 cent is en dat diezelfde frikandel, eenmaal gefrituurd, zeker een euro oplevert. Minstens.

‘Met deze frituurpan heb ik goud in handen’, zei hij. Zijn voorhoofd glom van opwinding. ‘Alles wat ik erin gooi, verandert in goud. Snap je ’m? Wacht maar af.’

Hij zwoer dat het dit keer echt zo was. En dat we dit jaar op vakantie konden gaan.

De vakantie bleef uit, jaar na jaar. Toch waren de frikandellen het beste wat Modeltreinen Hemel kon overkomen, dat moet ik mijn pa nageven. De geur van vers gefrituurd vlees lokte de klanten naar zijn winkel. Mijn vader serveerde de frikandellen vanachter de toonbank, zo in het vuistje. De mensen aten hun snack en keken intussen naar de treinen. Zelden werd er eentje verkocht, en ook onze twee stofzuigers verzamelden nog altijd stof. Maar dat gaf niet. Van de winstmarges op de frikandellen konden we het net rooien, met z’n tweeën.

Mijn vaders ondernemersinstinct draaide intussen alweer op volle toeren. Het eerste wat hij met zijn zuurverdiende frikandellengeld deed, was het aanpassen van de beschildering op onze winkelgevel: ‘Modeltreinen Hemel – voor al uw modeltreinen, een paar stofzuigers en heerlijke frikandellen’, stond er nu.

Mijn vader was trots. En ik greep de gelegenheid aan, zonder een al te groot schuldgevoel, het ouderlijk huis te verlaten en eindelijk mijn eigen leven te beginnen.

Hij zou zich nu wel redden, met zijn treinen.

Dat liep anders. Ik was zesentwintig, pas afgestudeerd en voornamelijk werkloos toen ik sinds tijden weer eens gebeld werd vanuit de winkel. ‘Je vader is naar de enige echte Modeltreinen Hemel’, zei een vreemde stem. ‘Erbij neergevallen, zo achter de toonbank. Hij heeft de zaak aan jou nagelaten.’

Ik was sprakeloos.

Gefeliciteerd, de hoofdprijs: twintig vierkante meter winkelruimte, van onder tot boven volgestouwd met modeltreinen en, als klap op de vuurpijl, stevig vastgelegd aan een eeuwig frikandelleninfuus. Daar was ik mooi klaar mee.

In eerste instantie nam ik me voor de hele boel onmiddellijk te verkopen. Tot ik me realiseerde dat mijn vader in feite ook zijn hele leven geprobeerd had de boel, namelijk die verrekte modeltreinen, te verkopen – en dat was nou niet bepaald gemakkelijk gebleken.

Er zat niets anders op. Een enkeltje Modeltreinen Hemel, voor onbepaalde tijd.


De jonge vrouw zegt: ‘Ik ben geïnteresseerd in de stofzuiger. Die in de etalage.’

‘Stofzuiger…’, hoor ik mezelf mompelen. Mijn hersenen komen kermend op gang. ‘Stofzui… – o! Ja, jazeker!’

De vrouw glimlacht. Ze is nog mooi ook.


In de jaren voor zijn dood was ik zelden nog in de winkel geweest. De vergane glorie in de etalage stemde me treurig, evenals mijn vaders zwetende hoofd boven de frituurpan. Ik zag weer voor me hoe hij over de toonbank, zigzaggend langs de dampende frituurpan, altijd een klein groen treintje liet rijden. Een van zijn favorieten. Want de treinen, die stonden nog steeds op nummer 1.

Ik stak de sleutel in het slot en draaide gedachteloos het krijtbord op de winkeldeur om: ‘GEOPEND’. Bij binnenkomst was de geur van frituur overweldigend. Dat, en de stilte. Ik zette een raampje open en nam plaats achter de toonbank, op de kruk waar mijn vader altijd gezeten had. Het vet in de pan zag er goed uit. Alsof het nog maar kort geleden vervangen was. Daarna opende ik de kleine vriezer in de berging: bomvol met frikandellen.

Het was duidelijk. Ik, de enige zoon, was nu de heilige machinist. De nieuwe God van de Modeltreinen Hemel. Ik zette de frituurpan aan en liet een paar van de modeltreinen door de winkel tuffen. Ook de kleine groene. In een lade van de toonbank vond ik velletjes postzegels uit 1998, voor de verkoop.

De boel verkopen, van de postzegels tot de treinen. Ik zuchtte. Dit kon nog wel even gaan duren.


‘Ik zal ze even voor u uit de etalage halen. Dit zijn de enige – ik bedoel, de láátste exemplaren die ik heb. Het loopt storm. Iedereen wil stofzuigen.’

Gehaast sta ik op. Ik struikel over het snoer van de frituurpan en gooi een van de treinen op de grond, terwijl ik me vastgrijp aan een kast. Drie jaar verder, en nog steeds lukt het niet me fatsoenlijk een weg te banen door deze muffe ellende.

‘Bijzonder assortiment heb je hier’, zegt de vrouw. Het klinkt niet cynisch of spottend, maar oprecht geïnteresseerd.


Waarom ik bleef, na die eerste dag, was ook mij een raadsel. Ik leek wel vastgelijmd aan die verdomde kruk, daar achter de toonbank. Mijn voornaamste bezigheden waren het aan- en uitschakelen van de frituurpan en het openen en sluiten van een heel kleine slagboom.

Misschien had ik gehoopt op de gezelligheid van vroeger, toen onze straat nog een walhalla voor obscure winkeliers was. Klusbenodigd-heden kocht je bij Topklusser Henk, naast hem runden twee besnorde Italianen in tuinbroeken een elektronicawinkel en nog iets verderop verkocht een snoepwinkel schuimblokken die aanvoelden als bakstenen. Tegenover onze zaak bevond zich een kostuumverhuur.

Zo kon het gebeuren dat er regelmatig clowns, gorilla’s en nephoeren van middelbare leeftijd een frikandel kwamen halen in onze winkel. Ze sabbelden op het vlees en keken naar de treinen. Dat zag je niet elke dag – behalve toen dan, in Modeltreinen Hemel.

Op mijn zesentwintigste was van die bedrijvigheid niet zoveel meer over. Onze zaak werd omringd door lege winkelpanden. Winkeliers zónder frikandellen hadden massaal het loodje gelegd, zoals mijn pa al eens met een onheilspellende blik voorspeld had. Dat, of ze werden weggeconcurreerd door internetwinkels. Goedkoper.

De lege etalages raakten besmeurd en de ‘TE HUUR’-bordjes kleurden geel aan de randen. Ik zat op de kruk en nam afscheid, stukje bij beetje, van mijn vader en van een tijdperk. Tot het voldaan was, moesten de treinen blijven rijden. Nog even.


Ik til de stofzuiger met de rode strik uit de etalage en rol hem naar het midden van de winkelruimte. Onder de strik is een handgeschreven papiertje geschoven: ‘Stofzuiger kopen? Drie heerlijke warme frikandellen gratis!’ De hanenpoten van mijn vader.

‘Het is een lang verhaal,’ zucht ik.

De vrouw knikt.

‘Ik neem hem.’ Ze klinkt stellig. ‘En een velletje postzegels.’

Terwijl ik de bedragen aansla op de kassa, denk ik aan mijn vader. ‘Zie je wel! De vrouw wil ook wat!’ zou hij gejuicht hebben.

Wil je ook de gratis frikandellen?’ Grinnikend wijs ik op het papiertje onder de rode strik. ‘Hier bij Modeltreinen Hemel is het frituurvet altijd heet.’


///


Met het verhaal ‘Modeltreinen Hemel’ won ik de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd van 2013. Het verhaal werd gepubliceerd in NRC.Next op 21 augustus 2013. Bewijs vind je hier.

Deel dit
3 Comments
  • Beatrice Smith
    May 13, 2017

    Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua.

    • Jessica Alba
      May 13, 2017

      Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur.

  • Beatrice Smith
    May 13, 2017

    Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

OVER
Friedrich Nietzsche zei ooit dat alle werkelijk grote gedachten ontstaan tijdens het lopen. Ik slenter me het apelazarus in de hoop dat hij gelijk heeft.

EERDERE WANDELINGEN
Ik wandel en schrijf sinds 2009. Nog meer verhalen vind je op mijn oude site. Publicaties in de echte wereld heb ik ook wel ‘s. Bijvoorbeeld in NRC.next, op de Optimist, in de festivalkrant van Lowlands en in het magazine van podium Asteriks.