Slenteraar



De bliksem en de donder

De trein raast door de weilanden. Buiten zijn er schapen en koeien te zien en verder niet zo veel: dat is het leuke van Noord-Nederland. Zoals wel vaker zit ik in het halletje op een klapstoel. Mijn hond zit zo’n beetje op schoot bij een jongen met een paardenstaart en een zwarte leren jas die tot op de grond komt. Hij zit in de ICT en wil zelf ooit een New Foundlander. De reis gaat naar Kootstertille, heb ik zojuist vernomen.

“Wat ga je daar doen?” vraag ik.

“Naar huis. Zou niet weten wat je er verder moet doen! Hahaha.”

Mijn hond begint nog harder te kwispelen en te kroelen. Het is ook een goed duo, hij en de metaljongen: allebei zijn ze soort van stoer – eentje met grote tanden, de ander met een grote jas – maar tegelijkertijd véél te goedlachs om intimiderend te zijn.

“Ik wil mijn hond straks wel terug,” zeg ik. “Even voor de duidelijkheid, hè.”

“Extra lekker,” zeg ik. Het klinkt best opgetogen.

Dan schuifelt een derde persoon het halletje binnen. Een man op afgetrapte sandalen, in zijn handen draagt hij een plastic tasje met de maagd Maria erop. Maria’s hoofd is een beetje verkreukeld. Als er ooit nog een Mariabeeltenis spontaan een traan gaat laten, dan is het de onfortuinlijke Maria op dit verlepte tasje, me dunkt.

De man knikt zedig – dat is een kunst – en gaat zitten.

Even is het stil.

Mijn hond, de metaljongen en ik kijken naar de voeten van de sandalenman. Het is onduidelijk waar de voeten ophouden en de sandalen beginnen. Ze zijn één. Voorzichtig waggelt mijn hond op de nieuwkomer af voor nadere inspectie. Ik laat hem begaan. Mensen die het niet erg vinden om in de pislucht te zitten, vinden het doorgaans ook niet erg om besnuffeld te worden door een hond, is mijn ervaring.

“Oei,” zegt de sandalenman. “Ik ben net vijf dagen op bedevaart geweest, hoor! Die voeten van mij zullen niet zo fris meer ruiken.”

“Extra lekker,” zeg ik. Het klinkt best opgetogen. Daarna: “Voor mijn hond, bedoel ik… Of nou ja, ik heb er zelf ook niet per se last van. Het valt mee, wil ik zegge– ”

De sandalenman luistert gelukkig nauwelijks.

“Bosnië-Herzegovina! Dertig graden,” vervolgt hij. “En een ónweer! Prachtig.”

“In Kootstertille is onweer ook mooi,” zegt de metaljongen. “Vooral ’s nachts. Als het even kan, dan ga ik naar buiten om te kijken.”

“Echt? Ik ben altijd bang. Als kind ben ik eens bijna geraakt door het onweer,” zeg ik. “Sindsdien ben ik ervan overtuigd dat ik zal sterven door de bliksem.”

Levensles: de dood heeft nog wel eens de neiging om de sfeer te verpesten. Ook nu valt het gekeuvel plotseling stil. Net als de trein, overigens. Met piepende remmen komt het gevaarte tot stilstand in het niets tussen Overijssel en Friesland.

“Dat is gek,” zegt de sandalenman.

“Hm-hm,” bevestigt de metaljongen.

Levensles: de dood heeft nog wel eens de neiging om de sfeer te verpesten.

Na een minuut of tien volgt er tekst en uitleg via de intercom.

“Beste reizigers, we staan stil. Dit komt doordat er een passagier aan de noodrem heeft getrokken. Hij had er bij Steenwijk uit gemoeten en was vergeten uit te stappen… We gaan de reis zo spoedig mogelijk hervatten.”

Schaapachtig kijken we elkaar aan.

“Ook een manier,” zeg ik. “Best wel aso. Toch?!”

De mannen houden wijselijk hun mond. Aan mopperen doen ze kennelijk niet, zuchten en steunen evenmin. De metaljongen haalt zijn schouders op.

“Diegene mag er hier waarschijnlijk niet eens uit…” probeer ik nog. “Wat dom.”

Geen reactie.

De jongen met de leren jas kijkt op zijn mobiel.

“Er gaat vast niet heel vaak een bus naar Kootstertille?” vraag ik voorzichtig.

“Nou, ik moet hierdoor een uur wachten op station Leeuwarden, geloof ik.”

Hij glimlacht nog steeds.

“In de bergen van Bosnië-Herzegovina had niemand haast,” doet de sandalenman nog een duit in het zakje. Gelukzalig tuurt hij uit het raam. Mijn hond kijkt op zijn beurt gelukzalig naar mij. Hij mag langer in de trein blijven én is langer bij zijn nieuwe vriend. En zijn nieuwe vriend? Die vindt alles prima.

Ik zucht een stiekem zuchtje. Daarna is het klaar.

Misschien is het ook wel goed, zo.

Het rommelt en schuurt en dondert nu eenmaal, mensen zijn soms egoïstisch, dingen gaan zomaar mis. Maar hé, de kans dat de bliksem je te pakken krijgt is best klein, al het gedonder ten spijt. Je kunt denken dat het universum het op je gemunt heeft zodra het rommelt. Binnen blijven, bij voorbaat boos of bang worden. Maar je kunt ook naar buiten gaan om te zien wat de wereld voor je in petto heeft en het daarmee doen. De ene keer iets lelijks, dan weer iets moois. Er is maar één manier om erachter te komen: stug doortuffen. Niet aan ieder stootje aanstoot nemen. In Bosnië, in Kootstertille, overal.

De trein komt weer in beweging.

Uiteindelijk valt het met de vertraging best mee.

Deze zomer ga ik écht sandalen kopen, neem ik me voor.

Deel dit
3 Comments
  • Beatrice Smith
    May 13, 2017

    Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua.

    • Jessica Alba
      May 13, 2017

      Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur.

  • Beatrice Smith
    May 13, 2017

    Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

OVER
Friedrich Nietzsche zei ooit dat alle werkelijk grote gedachten ontstaan tijdens het lopen. Ik slenter me het apelazarus in de hoop dat hij gelijk heeft.

EERDERE WANDELINGEN
Ik wandel en schrijf sinds 2009. Nog meer verhalen vind je op mijn oude site. Publicaties in de echte wereld heb ik ook wel ‘s. Bijvoorbeeld in NRC.next, op de Optimist, in de festivalkrant van Lowlands en in het magazine van podium Asteriks.