De familie Weesgegroet komt samen

Het was een winterse eerste kerstdag toen Truus Weesgegroet, een kwieke dame van 71 jaar, haar roze skipak aantrok en zich in de kruipruimte van haar aanleunwoning liet zakken. Al jaren koesterde ze de wens zich volledig aan de feestdagen te onttrekken, al was het maar voor een keertje, maar hoe ze ook protesteerde en tegensputterde: ieder jaar opnieuw werd ze door haar enige zoon opgehaald om de kerst bij hem en zijn gezin door te brengen. Dit jaar was ze vastberaden de rust te krijgen die ze verdiende, al waren haar methodes misschien wat onorthodox. Onder de grond konden ze haar tenminste onmogelijk vinden.
Een uur voor haar afdaling had ze een thermoskan koffie gezet, het skipak en een duikbril uit de berging gehaald, de batterijen van haar zaklantaarn opgeladen en een stapel Libelles in een rugtasje gestopt. In het kader van de veiligheid bracht ze haar buurvrouw, oud en seniel genoeg om niets te verklappen, op de hoogte van het plan.
„Deze kerst ga ik ondergronds. Mochten de kinderen bij jou aanbellen, zeg dan maar dat ik op een cruise ben,” had ze gefluisterd. „Geen politie. Begrepen? Absoluut geen politie.”
Truus voelde zich euforisch toen ze het luik in de hal openklapte, haar onderlijf in het gat liet zakken en voorzichtig ging zitten. Het skipak leek redelijk bestand tegen de kou en voor het comfort had ze eerst een kussentje in het gat laten zakken. Beheerst poetste ze de glazen van haar duikbrilletje en spande het elastiek rond haar hoofd.
„Funest voor mijn coiffure,” mompelde ze. Het was de prijs die ze moest betalen. Ze zette de rugtas naast zich neer en knoopte het koortje van de zaklantaarn vast aan de onderkant van het luik. Nu was alles gereed.
Langzaam liet Truus Weesgegroet ook haar bovenlijf zakken, net zolang totdat ze languit op de bodem van de kruipruimte lag. Ze strekte haar rechterarm uit, zover als ze kon, en trok met een ferme ruk het luik toe. Daarna knipte ze de zaklantaarn aan. Een warm licht scheen door de ruimte en een voldane zucht ontsnapte uit haar tengere lijf.
„Zaaalig! Zalig kerstfeest.”

#

Ada Weesgegroet-Postma walgde intens van haar schoonmoeder, maar dat weerhield haar er niet van om dat akelige mens eigenhandig en tenminste eens per jaar alsnog de nodige familieliefde door de strot te douwen. Familie was nu eenmaal het belangrijkste in het leven, dat wist iedereen. Je zag het in alle magazines en op de televisie. Het waren idyllische programma’s als All You Need Is Love en RTL Campinglife die ervoor zorgden dat Ada ook deze kerst weer eindeloos stond te koken en te braden in haar smetteloze keuken. Deze vrouw had er alles voor over om aan het ideaalplaatje te voldoen, dat zag je aan de familiefoto’s op de muur die samen een hart vormden. Je zag het ook aan de woorden "Family", "Love" en "Home" die middels vazen, muurstickers en houten letters overal door het huis verspreid waren. Als een mantra.
Enkel het venijn waarmee Ada Weesgegroet-Postma de uien in stukken hakte en de verbeten wijze waarop ze de touwtjes rond de rollade snoerde, verraadde dat ze wellicht toch enige wrok koesterde jegens zekere familieleden. De ellende begon ruim tien jaar eerder, toen de kinderen nog klein waren en hun grootmoeder zich na een aantal glazen port plotseling hardop iets realiseerde: „Ik houd gewoon niet van kinderen en dieren.”
De ontboezeming kwam nadat oma Truus een gehele middag en avond had doorgebracht met precies die twee levensvormen: kinderen en dieren. Ze bracht de revelatie achteloos, maar de woorden kwamen aan als een klopboor in een kom hete jus. De spetters lieten brandwonden achter die nooit meer helemaal zouden helen. Ada was woest geweest en eigenlijk was ze dat nog steeds, voor altijd en intens, maar ze liet zich er mooi niet onder krijgen. In haar huis zouden ze verdorie plezier hebben, de hele familie tezamen.
Ada schoof de rollade in de oven toen ze zich realiseerde dat haar man Henk, wiens enige taak het was zijn moeder op te halen voor het jaarlijkse kerstdiner, allang terug had moeten zijn. Met een felheid die de toetsen van de huistelefoon bijna in tweeën deden breken, tikte ze zijn mobiele nummer in. De hakjes van haar lakschoenen tikten ongeduldig op de plavuizen.
„Ja, waar blijf je? Ben je nog bij je moeder?”
Aan de andere kant van de lijn bleef het stil, op wat ruis na. Als je goed luisterde, had wel iets van het koeren van een duif. Henk was niet erg bedreven met zijn mobiel. Ada had daar geen enkele boodschap aan.
„Wil ze weer niet mee?”
Willekeurige pieptonen, daarna een doffe klap.
„Stom ding.. Hoor je mij? Ada? Met Henk.”
„Zeg maar dat ze van harte welkom is.”
„Wie?”
„Kom op, Henk, niet zo onnozel. Je moeder!”
Weer stilte. Ada bespeurde onraad.
„Op tafel ermee,” beval ze.
„Nou kijk,” begon Henk aarzelend, „het zit zo: ik ben nog thuis. In de volière. Was even de duiven aan het voeren en verhip, opeens is het al zo laat! Ze zal wel zitten te wachten. Ik ga er direct heen.”
Onmiddellijk werd de verbinding verbroken.
Dat lukte dan weer prima in een keer.

.

#

Henk Weesgegroet stond als versteend bij de deur van zijn tuinhuisje en tuurde naar zijn vrouw, daar achter het keukenraam van hun vrijstaande woning. Een woest zwaaiende schim met kittige stekeltjes op het hoofd. Wanneer had ze haar haar eigenlijk kort geknipt? Had hij daarover iets te zeggen gehad? Hij kon het zich onmogelijk herinneren.
In zijn eeuwige grijze winterjas verliet Henk de warme ambiance van zijn volière. Hij schuifelde de oprit af en glimlachte in het voorbijgaan angstig naar zijn vrouw. Het leek hem veiliger het huis voorlopig niet te betreden; Ada zwaaide wild met haar armen en haar mond ging nog altijd driftig open en dicht. Via het ventilatierooster van de keuken meende Henk meerdere keren zijn eigen naam en een heel scala aan verwijten te horen. De woorden klonken gedempt, maar waren daarom niet minder intimiderend.
Hij deed alsof hij niets hoorde en floot een kerstliedje terwijl hij de autoruit schoonveegde en de wagen instapte. Met piepende banden scheurde hij de straat uit. Dat was zeer a-typisch, maar met zijn ronkende motor probeerde Henk daadkracht en oprecht berouw te fingeren. Daadkracht en berouw waren de eerste stappen naar vergiffenis, wist hij helaas uit ervaring. Vervolgens reed Henk helemaal niet onmiddellijk en met spoed naar zijn moeder, maar maakte hij eerst nog op zijn dode gemak een tussenstop bij het tankstation net buiten het dorp. Het winkeltje bij de pomp was uitgestorven. Tussen een berg chocoladerepen en sigaretten zat een eenzame medewerker achter het glas. Om zijn nek hing een sliert gekleurde, knipperende led-lampjes.
„Joe,” mompelde Henk.
Hij liep naar de toonbank en kieperde zijn beurs leeg op het draaiplateau.
„Wat kan ik voor je doen?” klonk er door de spreekgaatjes.
Henk had geen idee. Al zolang hij zich kon herinneren, namen de vrouwen in zijn leven dit soort beslissingen voor hem. Ze kochten zijn kleding en kookten zijn eten. Op vrije dagen bedachten ze dat hij naar het bos wilde, of gezellig naar de braderie. Eerst was het zijn moeder en daarna Ada. Het was hoog tijd om eens iets te doen wat hij helemaal zelf wilde, vond hij, en wat hij nu wilde was een broodje uitgedroogde kroket met mosterd.
„Een broodje kroket, graag. Met mosterd.”
„Vooruit,” zuchtte de medewerker.
Hij wurmde zich uit zijn hokje, graaide wat munten van het plateau en hing de led-verlichting om Henks nek, als een trofee. Henk keek toe hoe zijn broodje kroket uit de snackmuur bevrijd werd. De medewerker kwam terug, legde het broodje opengeklapt op de toonbank en begon met zijn dikke vingers aan een zakje mosterd te peuteren. Henk zag rouwranden onder zijn nagels en tabakvlekken op zijn vingers. Het kon hem niets schelen; dit beloofde het meest mannelijke broodje kroket ooit te worden. Gretig perste de medewerker het zakje mosterd leeg. Daarna likte hij uitgebreid de gemorste saus van zijn vingers en overhandigde de snack aan zijn enige klant.
„Vrolijk kerstfeest,” zei hij.
Henk Weesgegroet at het broodje kroket en voelde zich een autonoom mens, een man die de broek aan had, drie hele minuten lang. Opeens voelde hij een ontzettende drang om iets vrouwonvriendelijks te zeggen.
„Ik wou dat mijn vrouw zo kon koken!”
„Ha-ha,” zei de medewerker.
Henk liet een boer en veegde zijn mondhoeken af aan de mouwen van zijn jas. Nu kon hij er weer een jaartje tegenaan.
„Ik ga mijn ma ophalen. Fijne dagen.”

#

Met veel kabaal kwam Mitchel Weesgegroet de trap af gedenderd. De geur van rollade was zijn slaapkamer binnengedrongen en hij wist dat het tijd was om zijn verduisterde hol voor een x-aantal uren te verlaten. Onder zijn arm droeg hij een reusachtig beeldscherm en op zijn hoofd prijkte een headset. Zijn haar was dun en piekerig op de plaatsen waar het plastic zijn hoofd raakte. Dat wist hij zelf niet. Hij keek zelden in de spiegel.
„Hoi mam, wat doe je?”
Ada leek de aanwezigheid van haar jongste zoon nauwelijks op te merken. Driftig bladerde ze in een catalogus, staande aan het aanrechtblad. Bij het omslaan van iedere pagina likte ze haar vingers, maar ze kreeg nauwelijks grip op het papier.
„Ik zoek een nieuwe jas voor je vader. In dat oude, grijze ding begint hij steeds meer op een duif te lijken. Vind je ook niet? Zijn hoofd is ook zo klein ten opzichte van zijn lichaam…”
Met een klap zette Mitchel het beeldscherm op de eettafel.
„Laat hem toch. Arme man...”
Hij haalde zijn tas met kabels tevoorschijn en ging aan de slag. Sinds een paar jaar was deze hele technische exercitie een voorwaarde voor zijn deelname aan het kerstdiner: de computer moest op tafel en het gamen ging tijdens het eten gewoon door. Online games kun je nu eenmaal niet pauzeren. Uiteraard hadden Henk en Ada in eerste instantie geprotesteerd, totdat bleek dat Mitchel grof geld verdiende met dat ogenschijnlijk domme schietspelletje van hem. Hij kon er kostgeld van betalen en kocht daarmee direct zijn rust af. Sindsdien stond de computer iedere kerst als een soort zuurstofapparaat tussen de rollade en de stoofperen.
„Waar is iedereen?”
Mitchel lag op zijn rug onder de tafel aan zijn computerkast te friemelen en keek vragend naar zijn moeder. Ze lebberde opnieuw aan haar vingers en sloeg stilzwijgend een bladzijde om. Steeds sneller bladerde ze door de catalogus. Ze kon onmogelijk de producten beoordelen, in dit tempo. Mitchel had zin om het blad uit haar handen te slaan.
„Nou?”
„Je vader is je oma nu pas aan het ophalen, hij was haar vergeten. Kennelijk vindt hij die duiven belangrijker dan zijn bloedeigen moeder. En Nathan heeft vertraging met de trein.”
„Hij heeft de trein gemist, bedoel je.”
Weer probeerde Ada een pagina om te slaan. Het papier bleef nu juist aan haar vingers plakken. Met een ruk scheurde ze de bladzijde in tweeën.
„Waarschijnlijk, ja. Zo gaat dat in deze familie.”
Mitchel pakte een stoel en startte zijn computer op. Enkel het snoer van de headset moest nu nog worden aangesloten, dan was hij weg. Hij liep naar zijn moeder en gaf haar een schouderklopje.
„Kop op, jongedame. Ieder huisje heeft zijn kruisje.”

#

Alleen zijn is veruit het gemakkelijkst in de wetenschap dat er ergens op de wereld, ooit of zo nu en dan, heus wel iemand is die aan je denkt. Iemand die het zou opmerken als je plotseling dood zou gaan en iemand die belt op je verjaardag. Heel misschien zelfs iemand die je ophaalt met de kerst. Dat realiseerde Truus Weesgegroet zich allemaal op eerste kerstdag in de kruipruimte van haar woning, waar ze inmiddels ruim twee uur bivakkeerde. Ze had het toch koud gekregen. Had haar enige zoon er niet allang moeten zijn?
Truus zat aan haar derde kopje koffie uit de thermoskan toen de aardse, klamme stilte eindelijk werd doorbroken door de bel. Ze voelde haar hart in haar keel bonken. Eigenlijk had ze niet zo goed nagedacht over deze etappe van haar ontsnappingsplan. Stilzwijgend blijven liggen, was dat wel verstandig? Wat als de buurvrouw haar toch zou verraden? Wacht, wat als de buurvrouw haar niét zou verraden? Moest ze roepen dat alles oké was? Bovendien had Henk gewoon een sleutel, voor het geval ze ooit oude-mensen-fratsen zou gaan uithalen, zoals vallen in de douche of van het keukentrapje donderen. Nu kon ze in ieder geval eens testen of hij zichzelf zou binnenlaten. Of hij haar zou zoeken, in alle hoeken en gaten. Of ze daarvoor nog belangrijk genoeg was.
De bel ging opnieuw.
„Ma? Doe eens open!”
Als versteend bleef Truus liggen. Het was best wel moeilijk om haar grote mond te houden. Ze keek op haar horloge. Vijf minuten en dan zou hij breken, gokte ze. Als kind was hij ook altijd een huilebalk geweest.
De bel klonk nu twee keer achter elkaar.
„Ma?! Ik kom naar binnen met de sleutel, hoor…”
Ze hoorde hoe Henk de sleutel in het slot stak en de voordeur opende. Treuzelende voetstappen bewogen zich in de richting van de woonkamer.
„Waar zit je? Ik ben het, Henk!”
De voetstappen klonken steeds gehaaster. Gepiep van de slaapkamerdeur, een dof gestommel in de douche, het kraken van het trapje in de berging. Na een paar minuten waren de voetstappen terug in de hal, direct boven de kruipruimte. Truus hoorde de toetsen van een telefoon.
„Ada? Ja, hoi. Ze is niet thuis. Zo raar! Wat moet ik nou?”
Een korte stilte.
„Nee, nee. Volgens mij heeft ze geen contact met de buren. Kleine kans..."
Zijn stem klonk trillerig. Nog heel even en hij zou gaan snikken.
„Oké, oké - ik bel hiernaast wel aan. Wie weet, ja. Tot zo.”
Een diepe zucht.
Truus hoorde hoe Henk op de trap ging zitten, waarschijnlijk om op adem te komen en moed te verzamelen. Zijn onderlip begon nu zo’n beetje te trillen, gokte ze, net zoals vroeger na een valpartij. Zij was destijds altijd de enige die hem kon troosten. Een trillende onderlip zou deze eerste kerstdag bewijzen dat hij haar nog altijd nodig had. Dat ze er nog toe deed, ook al was ze bijna oud en seniel.
Ze spande al haar spieren aan en kwam overeind. Daarna duwde ze het luik een klein stukje open. Henk zat er verslagen bij. Hij was ook heel bleek.
„Henk? Ik ben klaar, hoor. Pak jij mijn tas? Hopelijk is de rollade minder droog dan vorig jaar. Nu niet huilen, jongen..”

#


„Je hoeft je niet meer te haasten, hoor.”
Nathan Weesgegroet zat in de trein vanuit zijn studiestad, op weg naar zijn ouderlijk huis op het platteland, toen hij een onwaarschijnlijke telefoontje van zijn moeder ontving.
„Hoezo?”
„Niks ernstigs, schat. Je oma wordt vermist.”
Tact was aan Ada zelden besteed, dat wist Nathan best. Hij kende haar langer dan vandaag, namelijk drieëntwintig jaren plus negen maanden, om precies te zijn. Toch wist ze hem zo nu en dan nog steeds te verbazen. Dit was zo’n heuglijk moment.
„Wat? Maar ze gaat toch nooit ergens heen?”
Al zolang hij zich kon herinneren had zijn oma een tegeltje op het toilet met daarop de tekst: „Van het concert des levens heeft niemand een program”. Al even lang was zijn oma van mening dat je daarom maar beter helemaal niet naar welk concert dan ook kon gaan. Als er niets op het program staat, valt er ook niets te verwachten. Dat is veel minder vermoeiend dan de hele tijd maar het onverwachte moeten verwachten, had ze hem verzekerd.
„Het is een raadsel. Je vader is bij haar thuis en ze is nergens te bekennen. Het komt allemaal weer door die verrekte duiven - ”
„Ik denk niet dat duiven oma gekidnapt hebben.”
„ - hoe dan ook, de rollade staat te verpieteren, de kraanvogels die ik van de servetten had gevouwen zijn alweer ingestort en Mitchel heeft waarschijnlijk voor niks zijn computer naar beneden gezeuld.”
„Het is vreselijk, ma.”
„Ja, ik baal als een stekker. Tot zo.”
Nathan zuchtte.
Hij keek naar de noodrem, een paar stoelen verderop, en stelde zich voor dat hij eraan zou trekken. Vervolgens zou hij de machinist van zijn stoel sleuren en de trein eigenhandig in zijn achteruit zetten. Terug naar het hoofdstation, of naar een parallel universum waarin zijn familie niet compleet krankjorum was. Het is gek, dacht hij. Als kind verkeer je in de veronderstelling dat je ouders altijd alles onder controle hebben. Dat ze weten wat ze doen en ieder probleem kunnen oplossen. Pas later kom je erachter dat ook ouders, net als de rest van de wereld, de helft van de tijd geen idee hebben waar ze mee bezig zijn. En dat ze jou dus ook niet kunnen vertellen wat de zin van dit alles is, waarom dingen misgaan, waarom de een geluk heeft en de ander pech, waarom er altijd tandpastavlekken op je schone t-shirts verschijnen. Het is een koude kermis om van thuis te komen.
„Over enkele momenten komen we volledig volgens de dienstregeling aan op station Meppel,” klonk er met gepaste trots door de speakers. „Station.. Meppel.”
Nathan verliet de trein en besloot de laatste kilometers naar het dorp te wandelen. De rollade was nu toch al koud en hoogstwaarschijnlijk droog, zoals ieder jaar.

#

De familie Weesgegroet zat reeds aan het kerstdiner toen oudste zoon Nathan bepakt en bezakt het ouderlijk huis kwam binnenvallen. Iedereen was aanwezig. Ook zijn oma, tot voor kort vermist, nipte van haar soep. Niemand leek zich daarover te verbazen.
„Ze zat in de kruipruimte onder haar huis,” mompelde Henk met volle mond. „Ga zitten, jongen. Fijn dat je er bent.”
„Nathan, lieverd!” klonk er vanuit de keuken. „Groente- of tomatensoep?”
Nathan deed zijn mond open, en toen weer dicht, en toen weer open, maar woorden schoten simpelweg tekort. Verward nam hij plaats op de stoel naast zijn broertje en tikte op zijn schouder.
„Yo Mitch.”
Geen reactie. Stoïcijns ramde Mitchel op het toetsenbord, uit zijn koptelefoon klonken geweerschoten. Nathan tilde de headset een stukje op. Misschien reageerde hij beter op zijn username. Het was het proberen waard.
„Yo.. Cyka_Blyat0101?”
Een fractie van een seconde keek Mitchel opzij. Op zijn bleke gezicht verscheen een glimlach. „Hey, man.”
„Dat joch is niet goed,” kuchte Truus.
Nathan rolde met zijn ogen en staarde naar zijn oma.
„De kruipruimte? Waarom in godsnaam?”
Truus tuitte haar lippen. Een delicaat antwoord volgde.
„Kijk, ik moest opeens denken aan die hamster van jou, een paar jaar geleden. Die lelijke met die rode oogjes? Die is tijdens het kerstdiner zoekgeraakt, weet je nog? Zo de kruipruimte in!”
„Groente of tomaat?!” klonk er weer uit de keuken.
„Brutus? God ja, ik vraag me af of hij nog leeft..”
„Nou ja, dat leek me heerlijk. Ik was jaloers op dat beest. Lekker rustig. Maar goed, ik mag nu ook niet klagen, hoor. De dieren zijn dood en de kinderen groot.”
Truus hief haar glas port op en knipoogde op een manier die mogelijk liefdevol bedoeld was, maar in de praktijk redelijk macaber uitpakte. Uit ongemak staarde Nathan naar zijn bord, waarin opeens tomatensoep verschenen was.
„Dan krijg je tomaat, hoor. Ik blijf niet bezig.”
Ada gaf hem een kus op zijn wang en nam plaats aan het hoofd van de tafel. Tevreden keek ze om zich heen. Daarna schraapte ze haar keel en tikte gewichtig met een lepel tegen haar wijnglas.
„Lieve man, lieve jongens, bijzondere schoonmoeder. Het gaat misschien niet altijd van een leien dakje in dit huis, maar ik wil er kort bij stilstaan dat we samenzijn. Als familie. Laten we samen eten, met liefde, respect en plezier. Dat is het belangrijkste. Toch, Henk?”
Aan de andere kant van de tafel bleef het stil. Henk keek gebiologeerd uit het raam, zijn mond hing een stukje open. In zijn mondhoeken zaten restjes curry. Met grote ogen wees hij naar het raam: „Kijk, een transatlantische pijlstormvogel…”
BOOM, HEADSHOT!” voegde Mitch eraan toe. „Good game, well played.
Nathan keek de tafel rond.
Compleet krankjorum, dacht hij, net als alle anderen. Hij tuurde naar zijn neurotische moeder, zijn verstrooide vader, zijn cynische oma en zijn verloren broer, wereldberoemd in een digitaal universum. Het menselijk tekort in een notendop, sfeervol verlicht door kerstlampjes die eens per jaar de imperfecties trachten te verdoezelen. Hij hief zijn glas in de lucht en sprak: „Laten we proosten! Proosten op - nou, ja - een prima kerstfeest.”


door Nicole van den Berg