Karma

I.
Het is zondagmiddag en ik lig languit op een drukke voorrangsweg, bedolven onder de fiets waar ik even daarvoor nog op zat. Ik had me mijn eerste aanrijding anders voorgesteld. Snel en dramatisch, in plaats van langzaam en sullig. Slechts een benepen 'o jee!' ontsnapte uit mijn mond terwijl ik ter aarde stortte. Weinig elegant en al helemaal niet spectaculair.
Een aardige man komt aangesneld om me overeind te helpen. De verantwoordelijke automobilist – een jonge vrouw, ze moet ongeveer van mijn eigen leeftijd zijn – kijkt schaapachtig toe. Ik begrijp dat wel. Zij zal zich ook vast rot geschrokken zijn. Onmiddellijk slaan ik en mijn empathisch vermogen aan het relativeren.
“Het gaat wel,” stamel ik. Mijn stem klinkt onvast. “Denk ik. Jeetje.”
“Ga eerst maar even rustig zitten,” zegt de man. “Op dat stoeprandje.”
Ik doe wat me opgedragen word. De man inspecteert mijn fiets.
“Die rijdt niet meer,” constateert hij.
“Nou ja, gelukkig was 'ie toch niet echt veel waard en ben ik zelf nog heel,” wuif ik de opmerking weg. Dan bestudeer ik de auto die me zojuist van de zijkant schepte. De voorkant ziet er niet al te best uit: krassen, deuken, lamp kapot.
“Het ziet er dramatisch uit,” zegt de vrouw. “Maar dat was allemaal al zo.”
Een veeg teken, natuurlijk, maar ik ben allang blij dat ik nog leef. Mijn benen en ellebogen doen wel pijn. Ik wil naar huis, zo snel mogelijk. Pas wanneer ik mijn boodschappentas oppak en verstrooid mompelend ("Bedankt allemaal he, fijne zondag nog!") de plek des onheils wil verlaten, bedenk ik me dat het vast verstandig is om de contactgegevens van de vrouw te vragen. Ze schrijft haar naam en mobiele nummer op een kaartje. Ik zeg nogmaals dat het wel gaat terwijl ik eigenlijk wil grienen. Verslagen hobbel ik er vandoor, de fiets knerpend en piepend aan de hand. Naar huis.

II.
“Hallo, ik ben aangereden,” begroet ik mijn compagnon. Mijn onderlip begint te trillen. Net zoals vroeger, wanneer ik op straat gevallen was en pas thuis moest huilen van de schrik. Na een potje janken, het verorberen van een chocoladereep en het uitvoerig bestuderen van mijn schaafwonden, werpen we een blik op de boodschappentas die ik heb meegezeuld. 
“Alles zit onder de appelmoes,” zegt mijn compagnon. “Die pot is kapot.”
Opeens ben ik woest. Dan pas. Rijd me gerust overhoop op een voorrangsweg, maar waag het niet om mijn kookplannen in de war te schoppen. “Godver, en ik wilde vanavond zuurkool maken,” mopper ik. “We kunnen geen zuurkool eten zonder appelmoes. Kan niet. Ik moet terug.”
“Doe niet zo gek,” zegt mijn compagnon.
“Wat een kutdag,” bries ik.
Wankel als een pasgeboren kalf strompel ik opnieuw de deur uit, terug naar het slagveld. Ik voel me een strijder en heb steeds 'I Will Survive' (van Cake, niet het origineel – ik heb mijn zang graag monotoon) in mijn hoofd. Bij terugkomst voelt mijn rechterbeen aan als een maanlandschap, maar ik eet mijn zuurkool als een baas. Toch smaakt het allemaal net wat zuurder dan gewoonlijk.
“Ik moet haar zo maar bellen, hè,” zucht ik. “Ik haat bellen.”
“Het moet,” zegt mijn compagnon.
“Ik weet het. Maar eerst koffie.”
Mijn koffie, heel veel koffie, drink ik zo langzaam mogelijk op. Dan pas voel ik me kalm genoeg om het telefoonnummer van het visitekaartje te draaien. Ik reed immers op een voorrangsweg en nu is mijn fiets kapot. Ik moet orde op zaken stellen, want ik ben een volwassen vrouw. Al een tijdje. Volwassen vrouwen laten het er niet bij zitten. Volgens mijn vader heb ik vijftig euro nodig voor een vergelijkbare tweedehands fiets, minstens. “Plus dertig hele centen," grap ik. “Ik heb ook schade aan mijn pot appelmoes."

III.
“Vanmiddag zei je dat het wel ging,” snauwt de vrouw. Eerder die dag klonk ze aanzienlijk vriendelijker. “En dat die fiets toch al niet goed was.”
“Eh ja – ik was nogal geschrokken. Ik wist even niet wat ik moest doen. Geen idee hoe zo'n aanrijding in zijn werk gaat. Maar nou ja, ik had dus voorrang en nu zit ik met een kapotte fiets. En een pijnlijk been, trouwens. Dus ik dacht... tja, dat is wel een beetje zuur.”
“Nou oké, begrijp ik,” beaamt ze. Direct daarna begint de ellende: “Ik wil ook best een fiets voor je vergoeden, maar dan heb ik wel het recht om te bepalen welke je krijgt. Vijftig euro is echt belachelijk. Voor twintig euro kun je op Marktplaats heus wel een vergelijkbaar fietsje kopen.”
“Ik betwijfel het,” stamel ik. “Voor twintig euro koop je alleen een barrel.”
Vanaf dat moment gaat het met de communicatie bergafwaarts. Omdat we er onderling niet uitkomen, stel ik voor om een fietsenmaker te laten bepalen wat de fiets waard was voor hij in de kreukels werd gereden. Een absurd voorstel, kennelijk. Opeens waait de stront echt in de ventilator.
“Wie zegt dat die fiets van jou niet al kapot was? Kun je niet bewijzen, hè?! Ik reed ook helemaal niet hard, trouwens – je kon toch gewoon lopen, ja? En nu is er opeens van alles aan de hand? Weet je, ik voel me opgelicht. Jij probeert mij gewoon op te lichten.”
Nadat ik nog een keer of vier voor oplichter ben uitgemaakt, besluit ik dat ik liever fietsloos en berooid door het leven ga dan dat ik nog een minuut langer met deze vrouw moet praten. Ik word er zuur van. Onaangenaam zuur, zonder appelmoes om het te compenseren. Schaafwonden genezen, blauwe plekken trekken weg en ik heb een lieve vader die – of ik nou wil of niet – zonder morren voor de tiende keer een oude fiets voor me opknapt. Vertrouwen in de mensheid, daarentegen, is moeilijk te verkrijgen en nog lastiger te repareren. Ik wil er graag nog een klein beetje van overhouden; verdere interactie met dit vrouwmens draagt daar niet aan bij.
"Dan doe je maar aangifte," zegt ze. "Je kunt toch niets bewijzen."
"Prima," antwoord ik.
Ik hang op en neem mijn verlies. Ik ben immers wél een volwassen vrouw, al een tijdje. Volwassen vrouwen weten wanneer het beter is om het er maar bij te laten zitten. Ik doop de gebeurtenis om tot het 'appelmoes-debacle' en om die naam kan ik mooi lachen. Verder niets.
(Maar karma, in godsnaam: ik hoop dat je bestaat.)


Woensdag 12 November 2014 op 11:19  |  
  |    |  

Eén reactie

Marisa Saenz

Mijn naam is Marisa Saenz uit Nederland, ik wil snel de wereld vertellen dat er een echte online spell caster dat is krachtig en echt, ik was ‘s werelds grootste septische. Ik heb nooit geloofd in magische spreuken of iets dergelijks, maar ik werd verteld door een betrouwbare bron Doctor Azul een grote spell caster helpt me ophalen terug mijn relatie met mijn ex man terug, toen hij afgelopen en keerde terug naar mij voor een behoorlijk lange tijd nu (3 maanden geleden). Hij voerde een spreuk voor mij en voor 24 uur nadat de ban is gegoten ontvang ik een tekst van mijn ex man zegt dat hij medelijden met de pijnen hij zette me waar is en de tranen die hij me had veroorzaakt en dat hij niet zal doen zoiets me nog eens in zijn leven opnieuw. Ik was echt verrast en was ook blij, dus dat was hoe ik hem vergeven en nu wonen wij samen gelukkig zijn dan ooit tevoren, en Hij wil altijd bij me en kan niets doen zonder mijn huidige. Ik was verbaasd, maar later aanvaard hij me terug naar dit of Iedereen die in dezelfde lijn van het probleem of de ander te bezoeken en willen contact met hem zou gelukkig nu contact met hem op dit e-mailadres {Azulspelltemple@outlook.com}. Ben zo blij dat de dokter Azul bracht Liefde en Zegeningen terug naar me weer !!!! ..

Marisa Saenz
, - 15-12-’14 00:13
(optioneel veld)
(optioneel veld)
Om spam te voorkomen, vragen we je deze simpele vraag te beantwoorden (schrijf het getal voluit):
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.