The Fear

Ik heb een nieuwe vriend. Hij heeft een donkere oogopslag, een spleetje tussen zijn tanden en is een jaar of zes. Zijn broer heeft een dikke Audi, zegt hij. Zelf verveelt hij zich vaak rot. Met enige regelmaat treffen we elkaar op het pad tussen de speeltuin en het hondenlosloopveldje.
Het is een druilerige maandag wanneer we elkaar voor het eerst ontmoeten. Ik heb de regenlaarzen aan en mijn hond loopt een paar meter voor me uit. Keurig gaat hij bij het hekje zitten wachten totdat hij het omheinde terrein wordt binnengelaten. Toch zie ik een eenzame, kleine jongen in het speeltuintje achteruit deinzen en snel op de uitkijkpost van de kabelbaan klimmen.
“Die hond is bang!” roept hij. “Hij is bang, hè!”
Zorgeloos snuffelt mijn hond aan het gras.
Ik sluit het hekje en zeg: “Nou... volgens mij valt dat wel mee.”
Een dier kent schrik, een dier kent vrees – maar geen angst. Schrik en vrees zijn functioneel, ze steken de kop op wanneer er direct gevaar dreigt. Dieren zijn daar erg bekwaam in. Angst, daarentegen, is een typisch menselijk verschijnsel. Het is een onbestemd gevoel, vaak ingegeven door de gedachte aan iets dat zou kúnnen gebeuren, maar op dat moment helemaal niet aan de hand is: een aanslag, een enge ziekte, een hondenbeet. Het vervelende van dit soort anticiperende angst is dat je verbeelding onbegrensd is en je angstgevoel zo volledig uit de hand kan lopen. Een hond heeft daar allemaal geen last van.
“Kan het zo zijn dat je zelf een beetje bang bent?” suggereer ik.
Het kind klimt van de kabelbaan en komt treuzelend iets dichterbij. Hij heeft takken en stokken in zijn armen. Met een schuin oog houdt hij mijn hond in de gaten.
“Ik ga deze stokken gooien. Mag dat?”
“Ja, dat vindt 'ie wel leuk. Toe maar.”
Met een rotvaart werpt hij de dikste stok over het hek, alsof het een speer is en er vanavond hondenvlees op het menu staat. Mijn hond schrikt en doet net op tijd een stap naar achteren – de stok landt met een doffe klap op de grond, vlak naast hem. Nog geen twee seconden nadat het gevaar geweken is, begint hij onverminderd vrolijk op het potentiele moordwapen te knabbelen.
“Voorzichtig, joh!” zeg ik. “Je moet die stok niet óp 'm gooien.”
Onmiddellijk zie ik voor me hoe de volgende stok mijn hond zal doorboren. Dat de splinters zijn vitale organen raken en hij bloedend op het zompige poepveldje neerzijgt, zijn laatste adem uitblaast in mijn armen. Dat mijn hond welbeschouwd de enige stabiele factor is in mijn leven en ik waarschijnlijk nooit over het verlies heen zou komen. Ik zou razendsnel aan lager wal raken – drugsverslaafd, werkloos, berooid. In godsnaam, waar houdt dit rampscenario op? Die hond mag niet dood. Nooit.
Beteuterd kijkt het kind me aan.
“... Ben je bang?” lacht hij.
“Moet jij niet naar school, eigenlijk?” kaats ik terug.
“We zijn verhuisd. Mijn moeder zoekt nog een school. Hoe heet die hond?”
“Hij heet Yuko.”
“Mag ik nog eentje gooien?”
Ik kijk naar de stokken in zijn handen. Oud, nat hout waar een beetje hond best tegen opgewassen is. Een angstig mens ziet de dingen vaak niet goed voor wat ze zijn. Ik haal diep adem en knik. De tweede stok gaat beter. Bij de derde, vierde, vijfde en zesde worp begint de jongen steeds harder te lachen en mijn hond zelfs een beetje uit te dagen. Wel blijft hij al die tijd aan de andere kant van het hek staan.
Na de dertigste stok vind ik het mooi geweest.
“We gaan nu,” zeg ik. “Wil je hem zo nog aaien?”
Het jongetje schudt zijn hoofd, opeens weer timide. Wanneer ik aanstalten maak om het hekje te openen, rent hij snel terug naar zijn uitkijkpost bij de kabelbaan.
“De volgende keer ga ik op het veldje staan,” roept hij naar beneden. “Misschien ook aaien.”
“Dapper,” zeg ik, en ik meen het.
Iedere keer weer besluiten dat je iets wat je eng vindt meer wílt dan dat je er bang voor bent en het dan toch doen, ook al is het met knikkende knieën - dat vergt moed, ik weet het maar al te goed. Zo bezien zijn de bangste mensen tegelijkertijd de dapperste.
De jongen zwaait ons uit totdat we de hoek omgaan.
Mijn hond blijft lachend achterom kijken.
“Hé Yuko!” hoor ik in de verte. “Yuko, bangerik! Wanneer kom je weer?”


Maandag 06 November 2017 op 23:24  |   Geen reacties  |  
  |    |